75STE TROUWDAG VAN MIJN OUDERS

Ik citeer mijn dagboek uit Bragança. Vandaag is het 75 jaar geleden dat mijn vader Floris (geb. Nijmegen 4 maart 1917) en mijn moeder Eliza Maria (geb. 30 maart 1919) in het Stadhuis van Nijmegen in de echt zijn verbonden. De Tweede Wereldoorlog was nog niet voorbij en Nijmegen lag nog grotendeels in puin ten gevolge van het bombardement van de gealliëerden in februari daaraan voorafgaand. Pas op 17 september daarna is mijn geboortestad bevrijd onder leiding van Veldmaarschalk Bernard Montgomery. Mijn gesprekspartner van gisteren uit Doorn liet mij weten dat hij bijna de leeftijd van 90 jaar heeft bereikt en zal zich nog veel uit die tijd kunnen herinneren. Tijdens het bombardement op Nijmegen werkte mijn moeder als ‘modinette’ op het confectieatelier Cojo in Arnhem en heeft het vanaf het Arnhemse treinstation zien gebeuren. Al die verhalen gaan thans door mij heen. Mede vanwege het feit dat ik in september/oktober 1997 een volmacht heb verstrekt aan een nichtje van de voormalige burgemeester van Zwolle, Middelburg en Arnhem om alle juridische zaken te regelen die betrekking hebben op mijn handelsmerk Instituto Cervantes in de Benelux, de Stichting Cervantes Benelux en de Limited Company Instituto Cervantes England and Wales.

Het is mij nog altijd volstrekt onduidelijk waarom en door wie mijn naam in verband is gebracht met “criminalisering”. Ik heb altijd naar eer en geweten gehandeld onder alle omstandigheden en voel mij hierdoor wellicht nauw met don Quijote verwant. Mijn Doornse gesprekspartner sprak ook over de Mariniers in Doorn die ten gevolge van een afspraak met Commissaris van de Koning Karla Peijs naar Vlissingen dienen te verhuizen. Ik ken mevrouw Peijs nog van mijn eerste alumnidag van de Radboud Universiteit in 2002 door mij beschreven in het verslag met de titel twee maal veertien. Ook was zij nadrukkelijk aanwezig tijdens Koninginnendag in Middelburg in aanwezigheid van de volledige Koninklijke Familie. Hierbij gaan mijn gedachten uit naar de uitreiking van de Four Freedoms Award in mei 1996 en de door Koningin Beatrix aan Koning Juan Carlos I en de correspondentie die ik daarover met de Roosevelt Stichting heb gevoerd in de tijd dat wij met de Lionsclub Maarn-Maarsbergen in het kasteel van Lametz in Noord-Frankrijk verbleven. Dat kasteel was toen eigendom van de Familie Grimaldi uit Monaco.

09:25 Ik wacht op de technicus van Telefónica. Volgens Jesús van Movistar dient hij thans van 09:00 tot 11:00 de verbinding te herstellen. Maar op dit moment is hij nog niet verschenen: Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ik “aan het lijntje word gehouden” hoewel dat lijntje meer dan een maand is verbroken. Ik heb dat zojuist ook besproken met Isabel die hier het flatgebouw schoonmaakt. Ook met mijn buurvrouw María Jesús, de echtgenote van “Don Carlos Alonso, El Bueno”. Volgens María is het een goede zaak dat ik ook aantekeningen maak “por escrito”. Dat is goed voor de herkenbaarheid en de authenticiteit. Zo heb ik namens Koningin Elizabeth II ooit een bedankje ontvangen met de opmerking dat zij dankbaar was voor mijn bericht “in writing”. Hierdoor was het Haar ook mogelijk om mijn handtekening te vergelijken met de paarse handtekening die ik op 22 april 1997 in het gastenboek van de receptionist van Kensington Palace heb gezet toen ik daar mijn’kerstcadeau’ voor Prinses Diana Spencer heb afgegeven. Het schilderij dat ik van ‘d’Overvloed’ in Oz had oveenomen in 1996. In de tijd dat ik op advies van Dr Loos in Leersum thuis rust moest nemen ging ik regelmatig met Peter Ottenhoff squashen in de Sporthal Woestduin in Doorn. Ook van hem begrijp ik niet waardoor hij schade zou kunnen lijden als zijn naam met die van mij zou worden verbonden.

Op pagina 271 brengt Cervantes in de naam Cide Hamete Benegeli zijn woede tot uiting jegens de schrijver uit Tordesillas. Op soortgelijke wijze heb ik mijn boosheid tot uitdrukking gebracht in mei 1995 aan mijn collega’s in Alcalá de Henares om zonder overleg met de geestelijke vader van het instituto don Quijote in Salamanca een instituut met de naam Instituto Cervantes op te richten. Dat idee was immers afkomstig van mijn voormalige collega Paul Karis van het voormalige Institute of English Studies waarvan ik in 1981 de directie heb overgenomen. 10:14 Capítulo XIX gaat over de vermeldingen van de stad Murcia in de Don Quijote.  Murcia is de woonplaats van mijn collega Consuelo Hernández Carrasco die dus dezelfde achternaam draagt als El bachiller Sansón Carrasco, de Ridder van de Blanke Maan. Consuelo was de eerste die mij in Valladolid heeft gefeliciteerd nam mijn lezin Cervanteses mi vida in 2005.Tijdens ons congres in Cuenca heb ik haar met twee collega’s mijn interview Experiencias Holandesas laten horen voor Radio Nederland Wereldomroep. 10:20 De technicus is nog niet verschenen. Daarom heb ik Movistar gebeld. Jesús is op vakantie. Zijn vrouwelijke collega heeft mij laten weten dat de technicus mij zal bellen voordat hij op bezoek komt. Wij hebben Murcia bezocht tijdens het AEPE-congres in Lorca in 2002. In hoofdstuk IV van de DQ wordt verteld dat DQ na Andrés te hebben bevrijd van Juan Haldudo uit Quintanar voor een viersprong kwam te staan en daar een keuze moest maken welke weg hij zou kiezen. Daartoe “soltó la rienda a Rocinante”. Dit herinnert mij aan het gedicht dat ik op 6 augustus 1996 heb geschreven op het terras van The Angel on the Bridge in Henley on Thames:

Aan de Thames zit ik te dromen – Ik zie jou statig langs mij komen – Fier gezeten op een ros – De teugels nu iets verder los – Ik zie jou steeds in al mijn dromen – Kunnen wij weer samenkomen?

Op rood briefpapier heb ik dat gedicht in een rode enveloppe verstuurd aan “mijn Dulcinea” in het Koninkrijk der Nederlanden.