HET LICHT OP CULEMBORG

Op de praktijk richten Ook Mayte Ibáñez (41), docent Spaaans aan de scholengemeenschap Lek en Linge in Culemborg, ziet het aantal leerlingen voor Spaans op haar school stijgen. Ze is geboren in Spanje en heeft nu dertien jaar onderwijservaring in Nederland. Aan Lek en Linge is ze nu vier jaar verbonden. ‘Toen ik hier begon was het Spaans een keuzevak, voor alleen de bovenbouw. Ik gaf aanvankelijk les aan ongeveer honderd leerlingen, op zowel de havo als het vwo. Inmiddels wordt de taal ook aangeboden aan de onderbouw. Er zijn nu drie docenten Spaans, vier jaar geleden waren er nog twee.’ Volgens haar gaan de ontwikkelingen van het taalonderwijs te traag. ‘Ik vind dat het Nederlandse onderwijs veel te kleine stappen maakt ten aanzien van de ontwikkelingen in de samenleving. Waarom moet dat? Het onderwijs is toch gewoon een bedrijf? En een bedrijf functioneert met geld, met een vraag en met een aanbod. Als al die factoren kloppen, dan kun je toch gewoon gas gaan geven?’

In haar lessen probeert Ibáñez de taal zoveel mogelijk op de praktijk te richten. ‘Zo laat ik de leerlingen native speakers interviewen, ook om ze kennis te laten maken met de Spaanstalige cultuur. Of ik laat ze situaties naspelen, in bijvoorbeeld een winkel of een restaurant. Op die manier probeer ik de leerlingen zoveel mogelijk al spelenderwijs de taal te laten ontdekken.’

Hoe ziet Ibáñez de toekomst van het Spaans? ‘Ik hoop dat de taal serieuzer wordt genomen dan nu en dat de kinderen ook in andere scholen al in de onderbouw voor Spaans kunnen kiezen, niet als project maar als volledig vak. Het probleem is nu dat er veel frictie wordt veroorzaakt ten aanzein van de andere talen. Ik kan me voorstellen dat mijn collega’s van Frans en Duits de groei die het Spaans momenteel doormaakt niet prettig vinden. Gelukkig heb ik altijd met mijn collega’s een goed contact.’

Vanaf dit schooljaar is Ibánez op haar school de vreemdetalencoördinator, om te gaan zien hoe de verschillende taaldocenten gezamenlijk het lesmateriaal aan kunnen bieden. ‘We moeten elkaar dus niet beconcurreren, maar op elkaar leunen en elkaar inspireren. En we moeten elkaar vooral niet zien als concurrenten, maar als collega’s’. Ze hoopt nu dat de taaldocenten op haar school in de nabije toekomst tot een gezamenlijke aanpak kunnen komen. ‘Te denken valt aan extra lessen over de vreemde talen in het algemeen, over hoe ze zijn ontstaan en hoe het kan dat er soms sprake is van overeenkomsten. Vaak ontdekken leerlingen pas in het eindexamenjaar parallellen tussen de vreemde talen, en het is volgens mij goed om de leerlingen al vanaf de brugklas hiermee te confronteren. Daarnaast kan het ook zinvol zijn om samen te werken door bijvoorbeeld de leerlingen dezelfde tekst te laten vertalen in zowel het Spaans als het Engels, Duits en Frans.’