INSTITUTO CERVANTES BENELUX ENGLAND AND WALES

Opleiding en Training, Werving en Selectie, Management, Business Consultancy, Reizen, Vertaalservice, Tolkenservice, Public Relations, Communicatie, Publishing, Spaans in Spanje, Amerika, Ondernemerschap, Luchtvaart, Automatisering, Internet, Productions, Verzekeringen, Hotels, Bankbedrijf, Voetbal, Prinses Diana Stadion, Televisie, Onroerend goed

GASPAR VAN DER HEYDEN (MECHELEN 1530 - BACHARACH AM RHEIN 1586)

De gegevens over GASPAR VAN DER HEYDEN (Heydanus) heb ik betrokken uit het Academisch Proefschrift van dr. M.F. van Lennep, Amsterdam, Johannes Müler, 1884, UBN Diss: AG 1884-21. Genealogisch fragment.

Het proefschrift van Dr Van Lennep heb ik gereconstrueerd tot en met pagina 183 van de totaal 284 pagina's. Onderstaand die eerste 183 bladzijden. De rest maak ik wel af zodra de voetbalclub in Arnhem onder ons beheer is gebracht.


GASPAR VAN DER HEYDEN
1530-1586
Academisch Proefschrift

VAN
DR M. F. VAN LENNEP

AMSTERDAM

JOHANNES MÜLLER 1884

VOORREDE

Aan het einde van mijne academische looplaan gekomen, gevoel ik behoefte een woord van hartelijken dank te richten aan allen, die in meerdere of mindere mate aan mijne vorming hebben bijgedragen.

Allereerst denk ik daarbij aan U, Hooggeleerde Heeren DOEDES, BEETS en V.ALETOX. Veel ben ik U verplicht, niet slechts voor Uw hooggewaardeerd onderwijs, maar ook voor de groote vriendelijkheid welke Gij mij steeds hebt betoond. Weest ervan verzekerd dat, ofschoon bizondere omstandigheden mij thans noopten aan eene andere Universiteit dan die, waarvan Gij het sieraad zijt, naar de "Summos in Theologia honores" te streven, ik U, mijne leermeesters, niet zal vergeten. Uwe namen, met dien van den door alle zijne leerlingen zoo zeer geliefden VAN OOSTERZEE, zullen door mij steeds met dankbare vereering worden genoemd.

Ook U Hooggell. LASONDER en CANNEGIETER dank ik voor Uwe lessen en voor de welwillendheid waarmede Gij mij steeds te gemoet kwaamt.

Waar ik terugzie op den tjd door mij aan de Amsterdamsche Universiteit doorgebracht, daar blijf ik ook U met erkentelijkheid gedenken Hooggeleerde MATTHES. Ik zal het steeds een groot voorrecht achten Uw onderwijs te hebben mogen genieten en door U te zijn ingeleid in de studie der Hebreeuwsche Taal, voor welke Gij zoo zeer Uwe leerlingen tot geestdrift weet op te wekken. Heb dank voor Uwe lessen en niet minder voor de vriendelijkheid die ik altijd van U mocht ondervinden. Hoe zal ik U naar waarde danken, Hooggeleerde VAN TOORENENBERGEN, Hooggeachte Promotor! Ofschoon ik niet tot Uwe leerlingen behoorde, hebt Gij mij, toen ik Uwe hulp bij het vervaardigen van mijn proefschrift inriep, terstond met de meeste bereidvaardigheid ter zijde gestaan, en Uwen tijd met den rijken schat Uwer kennis en ervaring op de meest welwillende en onbekrompen wijze ter mijner beschikking gesteld. Vergun mij U daarvoor mijne diepgevoelde erkentelijkheid te betuigen en daarbij tevens den wensch uit te spreken, dat Gij mij voortdurend als een Uwer leerlingen zult willen blijven beschouwen. Het is mij aangenaam hier tevens mjn dank te kunnen betuigen aan mijnen geachten Vriend, den Heer Joh. HENDR. VELDHUYZEN, voor de zorg waarmede hij de genealogie van GASPAR VAN DER HEYDEN heeft opgesteld, waaraan ik, toen zij mij door hem op zoo heusche wijze werd aangeboden, niet meende eene plaats in de Bijlagen van dit proefschrift te mogen weigeren.

INLEIDING.

Chaque siècle a sa physionomie particulière, ses aptitudes et sa mission. Mais le seizième, plus qu'aucun autre, a le privilège d'attirer les regards et de captiver l'attention. Si vous vous arrètez devant lui, il vous éblouit. Nous l'aimons a cause de cette splendeur, qui égale toujours, surpasse souvent les plus grands moments de l'histoire, et semble vouloir gouverner les ages futurs." Met deze woorden vangt de heer CHARLES RAHLENBECK zijn werk: "l'Inquisition et la Reforme en Belgique" aan, en wat hij daar schrijft, is waar. De ontzaglijke worsteling tusschen licht en duisternis, waarvan deze zestiende eeuw getuige is geweest, heeft eene geheimzinnige kracht, die ons aantrekt, en de grootsche figuren in dien strijd staan daar, als met een lichtglans overgoten, voor ons, en dwingen ons telkens weder met eerbied en bewondering het oog op hen te vestigen. Doch, gelijk een schrijver onzer dagen treffend opmerkt: "de strijd, die in de Nederlanden tachtig jaren lang tegen Spanje om de vrijheid van geweten en godsdienst gestreden werd, is niet uitsluitend met de kracht der wapenen gevoerd. In dien krijg blinkt de kracht van den geest verre boven de schittering van den wapendos uit. Welnu, hij, over wien wij thans gaan handelen, is een van die strijders met de wapenen des geestes geweest. Ja waarlijk, GASPAR VAN DER HEYDEN heeft den krijg aangegord tegen de macht der duisternis en des bijgeloofs, en vaak in het grootste gevaar de banier des evangelies hoog gehouden. ` Het kan dus geene verwondering wekken, dat ik mij tot dezen heldhaftigen strijder aangetrokken gevoelde, en de begeerte in mij opkwam, om zijn leven tot een voorwerp van nauwkeurig onderzoek te maken.
Hoe zullen wij nu het best dat leven beschouwen? Voor hem, die de levensbeschrijving geeft van eenen FRANCISCUS JUNIUS of JOHANNES VAN UTENHOVE, is de vraag, op welke wijze hij de stof, waarover hij te beschikken heeft, zal verdeelen, als van zelve beantwoord. Immers deze mannen hebben zich ieder op zoo velerlei gebied onderscheiden, dat men achtereenvolgens op hen, als schrijvers, dogmatici, bijbelvertalers, enz., de aandacht zou kunnen vestigen. Geheel anders is het met
GASPAR VAN DER HEYDEN. Hij toch heeft zich noch als dogmaticus, noch als bijbelvertaler eenen naam verworven. Neen, de lof, die hem toekomt, is een andere, dien ik niet beter weet te beschrijven, dan aldus, dat hij zich zelven geheel en al ten offer gebracht heeft in den dienst van het evangelie en van de kerk.

--------------

1. DS. J. J. VAN TOORENBERGEN, PHILIPS VAN MARNIX van st. Aldegonde, Godedienstige en Kerkelijke Geschriften, in de Inleiding op het Eerste Deel, bl. I.

Van het oogenblik af, waarop hem de oogen open gingen voor de dwalingen van Rome, en hij van harte der nieuwe leer werd toegedaan, tot aan zijn dood, die bijna 40 jaren later plaats vond, was zijn geheele leven eene toewijding aan de zaak, die hem thans boven alles ter harte ging. Ternauwernood aan het hachelijkst doodsgevaar ontkomen, moest hij jaren lang als balling in den vreemde vertoeven, maar ook daar vergat hij zijne kerk niet, en bleef hare belangen getrouw behartigen. En later in het vaderland teruggekeerd, bleef het zijn ijverig streven, om die kerk mede te helpen opbouwen en in bloei te doen toenemen. Daartoe moesten ook de weinige geschriften, die van zijne hand ons bewaard zijn, strekken; men ziet, zij staan niet op zich zelf, maar zijn geheel in den dienst der kerk geschreven. Van uit dat oogpunt heb ik dan ook gemeend het leven van GASPAR VAN DER HEYDEN te moeten bezien. De chronologische volgorde was daarbij de van zelf aan gewezene. Allereerst dan beschouwen wij hem als leeraar in de kruisgemeente te Antwerpen, waaraan natuurlijk eenige korte opmerkingen aangaande zijn geslacht en eerste levensjaren moeten voorafgaan. De jaren, die hij in de ballingschap doorbracht, afgewisseld door een kort verblijf in Vlaanderen, vormen de stof voor het tweede hoofdstuk, terwijl wij eindigen met het oog te slaan op zijne werkzaamheidin de gevestigde kerk te MIDDELBURG en later weder te Antwerpen. De door hem uitgegeven geschriften behooren eveneens in chronologische volgorde te worden ter sprake gebracht. Mocht het mij niet gelukken bij den lezer van dit opstel eenige geestdrift voor de figuur van GASPAR VAN DER HEYDEN op te wekken, dan is dit slechts daaraan te wijten, dat ik bij het schetsen van zijn beeld verre beneden het oorspronkelijke gebleven ben. Eindelijk nog een woord over de bronnen, die ik heb kunnen raadplegen. De eerste, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geregelde, levensbeschrijving van GASPAR VAN DER HEYDEN, is gegeven door WILLEM TE WATER. In de Boekzaal der geleerde wereld van 1754, vinden wij namelijk op blz. 434, het "Lofvermeldent Levensverhaal van KASPAR VAN DER HEYDEN, eersten hervormden kerkleeraar van Axel, door WILLEM TE WATER, predikant te Axel, opgedragen aan des roemwaardigen mans Hoogeerwaardigen Naneef, den Here FRANCISCUS BURMANNUS, Hoogleeraar der Godtgeleertheit en Bedienaar des Godtlijken Woordts te Utrecht." J. W. TE WATER, de zoon van den bovengenoemden Axelschen predikant, heeft in zijne Reformatie van Zeeland, deze levensbeschrijving, door zijn vader gegeven, weder overgenomen, doch, gelijk hij zelf zegt, "met eenige veranderingen en vermeerderingen, welke allermeest betrekking hebben op VAN DER HEYDEN'S dienst te MIDDELBURG." Deze biografie is over het algemeen vrij nauwkeurig, en al hetgeen later over hem geschreven is door GLASIUS,

-------------

1. PIERRE BAYLE in zijn "Dictionnaire historique et critique," geeft van hem slechts eene korte levensschets, in zijn artikel over ABRAHAM HEIDANUS, doch wat hij zegt, draagt, gelijk wij zullen zien, meer de blijken van nanwkeurigheid, dan het meer uitvoerige artikel in HOOGSTRATEN'S Woordenboek over GASPAR VAN DER HEYDEN zelven.
2. J. W, TE WATER, Reformatie van Zeeland. bl. 180. JANSSEN enz. is hoofdzakelijk slechts van TE WATER overgenomen. 1. Doch ik had het voorrecht ook onuitgegeven bescheiden te kunnen raadplegen. Onder dezen bekleedt eene eerste plaats, eene belangrijke verzameling brieven van
GASPAR VAN DER HEYDEN, in het archief der Nederduitsche Hervormde gemeente te Delft bewaard, welke de hoogleeraar J. J. VAN TOORENENBERGEN op gespoord en met andere brieven voor een nieuw deel van de werken der Marnix-Vereeniging bestemd had, doch die hij mij met de meeste welwillendheid voor dit opstel afstond. Zij zijn 24 in getal, waaronder 13 Latijnsche en 11 Hollandsche, loopen over een tijdruimte van 12 jaren (1571-1583) en zijn bijna allen gericht aan den bekenden ARNOLDUS CRUSIUS CORNELIl, predikant te Delft. Zij zijn in de Bijlagen onder B. Opgenomen. - Terwijl ik de "Memoires de J. DE WESENBEKE, edition de CH. RAHLENBECK" raadpleegde, viel mijn oog op hetgeen deze laatste op bl. 75, in een noot, aangaande GASPAR VAN DER HEYDEN aanteekent. Hij zegt daar ongeveer het volgende: ,,A la bibliotheque publique de Genève, se trouvent encore plusieurs lettres de VAN DER HEYDEN á CALVIN, non editées, et qui mériteraient fort de l'être." Bij nader onderzoek bleek mij, dat er in die bibliotheek "section des manuscrits latins V" slechts een brief van hem bewaard werd, doch dat deze met eenige brieven van GASPAR HEDIO uit Straatsburg in een bundel te zamen was gevoegd.
Hieruit liet zich de vergissing van den heer RAHLENBECK

-----------

1. GLASIUS, Godgeleerd Nederland. H. Q. JANSSEN, kerkhervorming in Vlaanderen I. bl. 73.

verklaren. In Genève vergeleek ik zelf dezen brief met de andere brieven van GASPAR VAN DER HEYDEN, en daar het schrift van beiden, zoowel in de onderteekening als in de afkortingen van sommige woorden enz. volkomen overeenstemt, kan de echtheid van dit schrijven met voldoende zekerheid aangenomen worden. Deze brief is te vinden. Bijlage A. 1.

Eindelijk vindt men nog in de Bijlagen, onder letter a, de genealogie van GASPAR VAN DER HEYDEN, tot op den tegenwoordigen tijd bijgewerkt. Niet onbelangrijk toch is het na te gaan, welke thans nog levende geslachten van onzen leeraar afstammen.

--------------

1. In den "Catalogue of Books, Manuscripts, Letters, etc, belonging to the Dutch Church, Austin Friars, London," vond ik op bl. 176, onder de "Letters addressed to the Ministers and Elders of the Church in London" ook een brief van GASPAR VAN DER HEYDEN, onder dagteekening van 18 Januari 1581, uit Antwerpen aan de Londensche gemeente gericht. Doch daar deze een rondgaande brief is, en woordelijk overeenkomt met dengene, die naar Emden geschreven en door E. MEIERS in zijne Oostvriesche kerkgeschiedenis overgenomen is (Deel II. bl. 69), heb ik hem niet in de Bijlagen opgenomen.

HOOFDSTUK: I.

In de Kruisgemeente.

Onder de adellijke stamhuizen van Brabant treffen wij ook het riddergeslacht VAN DER HEYDEN aan, welke leden wij reeds in de 14e eeuw aanzienlijke waardigheden zien bekleeden. Het was, naar men schijnt te kunnen aannemen, uit een jongeren tak van het geslacht van WASSENAER gesproten, en in Holland o. a. aan DUIJVENVOORDE, in Brabant aan VAN DER NOOT vermaagschapt. JAN VAN DER HEYDEN, Ridder, was Amman der stad Brussel in 1334, terwijl wij in 1400 eenen GERARD VAN DER HEIJDEN, Heer van Gestel en Bautenshem, de waardigheid van Raad van Hertog WENZESLAUS van Brabant en Drossaart van dat gewest zien bekleeden. Eindelijk vinden wij Ridder JACOB VAN DER HEYDEN als Burgemeester der stad Antwerpen in het midden der 16de eeuw. 1.

------------

1. Zie Guiciardini, in zijne "Beschrijving der Nederlanden", waar hij eene korte aanteekening geeft omtrent het geslacht VAN DER HEYDEN, en o. a. zegt: VAN DER HEYDEN, dont est Jacques, docte sage et réputé, lequel était Bourgemestre de la ville, tandis que je mettoye la dernière main à ceste Description, l'an MDLXVI; le frère duquel JAN, est aussi homme d'honneur et de réputation". Al dadelijk staan wij hier nu voor de vraag: behoorde GASPAR VAN DER HEYDEN mede tot dit aanzienlijk geslacht, of was hij van eene andere familie? De zaak is niet gemakkelijk uit te maken, daar het voor en tegen vrij wel tegen elkander opweegt. Van zijne genealogie is ons niets anders met zekerheid bekend, dan dat zijn vader GERARD VAN DER HEYDEN heette, (een voornaam, die gelijk wij zagen ook bij de adellijke VAN DER HEYDEN'S voorkomt) en te Mechelen verblijf hield, waar GASPAR in het jaar 1530 geboren werd. PIERRE BAYLE in zijn artikel over ABRAHAM HEIDANUS, den kleinzoon van GASPAR, schrijft: "HEIDANUS était de bonne famille" en haalt daarbij aan de woorden van WITTICHIUS, uit diens lijkrede, den 20 October 1678 op ABR. HEIDANUS gehouden: "Proavus illi fuit GERHARDUS VAN DER HEYDEN, antiqua et honesta familia natus Mechliniae".

J. W. TE WATER heeft ook getracht uit te maken wat hiervan zij, en na in den aanvang zijner levensbeschrijving van GASPAR VAN DER HEYDEN eenige aanzienlijke vertegenwoordigers van dat geslacht te hebben

-----------

VAN DER HEYDEN was in 1561, tijdens het groote feest van het Landjuweel der Violiere, prins der Antwerpsche Rederijkerskamer "de Olijftak," en moet niet verward worden met JAN VAN DER HEYDEN, koopman, die in 1558 ,,Schepene der stad Antwerpen" was, gezamentlijk met Ridder JACOB VAN DER HEYDEN, een bewijs dus, dat er destijds te Antwerpen òf twee familiën VAN DER HEYDEN waren, of dat de beide schepenen op een genoegzaam verren alstand van bloedverwantschap verkeerden, om te gelijkertijd plaats in de Regeering te kunnen nemen .

De naam VAN DER HEYDEN was te dier tijde ook zeer verbreid.

Men vergelijke verder Bijlage C.

opgenoemd, gaat hij aldus voort: "Dat nu de predikant GASPAR VAN DER HEYDEN uit dit hoogadelijk geslacht herkomstig zij, kan wel niet ontegenzeggelijk bewezen worden, bij gebrek aan aanteekeningen, mits de Hervormde leeraars van staatelijken adel, die er in grooten getale zijn geweest, vooral uit Brabant en Vlaanderen, in die tijden zeer weinig werk maakten van hun edeldom, zig vergenoegende om edeler dan anderen te zijn, door het onderzoeken, verstaan en prediken der Heilige Schriften, maar het is echter meer dan waarschijnlijk, vermits in die dagen zeer weinige gemeene menschen en burgerlijke geslachten een toenaam of van voerden, en het niet geoorloofd was den naam der edelen zig te mogen toeëigenen, en hij te Mechelen in Brabant geboren is in 't jaar 1530, daar het edel huis VAN DER HEYDEN woonde en oorspronkelijk was." Misschien zal men de geheele quaestie niet belangrijk genoeg vinden om er langer bij stil te staan, maar ten eerste is het toch van belang na te gaan, of de lijst van die "hervormde leeraars van staatelijken adel", die alles prijsgaven om het evangelie te dienen, in GASPAR VAN DER HEYDEN weder met eenen vermeerderd kan worden, en ten tweede worden ons verscheidene omstandigheden in zijn leven eerst recht duidelijk, of gaat daarover, een nieuw licht op, wanneer wij op de vraag naar de min- of meerdere aanzienlijkheid van zijn geslacht een voldoend antwoord kunnen geven. Het komt mij voor, dat de zaak voor alsnog niet uit te maken is, zoolang ons de noodigste gegevens ontbreken, maar tevens, dat wij in allen geval mogen stellen, dat

-----------

I J. W. TE WATER, Kort Verhaal der Reformatie van Zeeland.bl. 390.

GASPAR VAN DER HEYDEN, zoo al niet tot het riddergeslacht van dien naam, dan toch tot wat wij zouden noemen, den deftigen burgerstand behoorde. Dit gevoelen wint zeker aan waarschijnlijkheid, wanneer wij opmerken hoe zijne twee kleinzoons, JOHANNES en ABRABAM HEIDANUS, beiden gehuwd zijn met dochters uit aanzienlijke Nederlandsche families, de eerste met HILLEGONDA PATER, de tweede met SARA LOOTEN; dat zijn zoon GASPAR de hand gekregen heeft van CLARA VAN DEN BORNE, de dochter van den hoofdschout van Frankenthal, en dat hij zelf gehuwd is geweest met CATHARINA GOETHEM, een lid van eene der regeeringsfamiliën in Staatsch Vlaanderen. 1.

GERARD VAN DER HEYDEN had waarschijnlijk zijnen zoon GASPAR tot den geestelijken stand bestemd, doch op den leeftijd van 16 of 17 jaren leerde deze het zuivere evangelie kennen, zag de dwalingen van Rome in, en verliet Mechelen, hetzij om de vervolgingen te ontwijken, die ook daar reeds hadden gewoed, of omdat zijn vader hem verstiet en niet langer in zijn huis wilde dulden. Het laatste komt mij vrij waarschijnlijk voor, daar hij klaarblijkelijk geheel zonder middelen was, toen hij in Antwerpen aankwam; zoodat hij, om te kunnen leven, als knecht bij een schoenmaker in dienst trad.

Doch slaan wij, eer wij verder gaan, het oog op den toestand van Antwerpen gedurende den tijd, waarin de gebeurtenissen vallen, die wij thans beschrijven.

De vermaarde Scheldestad was in den aanvang der 16de eeuw, vooral door haren uitgebreiden handel, eene

--------------

I. JACOB VAN GOETHEM b.v. was schepen van Hulst in 1500, Zie JACOB VAN LANSBERGHE, Beschrijvinge van de Stadt Hulst, bl. 137.

der bloeiendste steden van Europa. Doch ook kunsten en wetenschappen vonden er ijverige beoefenaars, en het kon dan ook niet anders, of reeds het eerste optreden van LUTHER werd te Antwerpen met belangstelling vernomen, en door velen met vreugde begroet. De eerste, die in deze stad de leer van den Duitschen Hervormer predikte, was de prior van het Augustiner klooster, JACOBUS PRAEPOSITUS, "een man, gelijk ERASMUS den 30 Mei 1519 aan LUTHER schreef, "die CHRISTUS predikt en er roem op draagt een van uwe leerlingen te zijn geweest." Niet lang kon hij vrijelijk zijne gevoelens verkondigen. Hij werd eerlang gevangen genomen en door pijnigingen gedwongen te herroepen, doch nadat hij in vrijheid was gesteld, begon hij op nieuw de behoudenis door het geloof alleen te verkondigen. Voor de tweede maal gevat, ware hij verloren geweest, indien hem een monnik niet geholpen had te ontsnappen. Hij ontkwam naar Duitschland en werd met vreugde door LUTHER ontvangen. Later predikte hij nog verscheidene jaren de gezuiverde leer in de hoofdkerk te Bremen. Den 13den Juli 1521 werd er te Antwerpen een "auto de fe" gevierd van de boeken door LUTHER geschreven, om de toepassing van het plakkaat van den keizer in te wijden, doch dit schrikte de aanhangers van de nieuwe leer niet af. De opvolger van PRAEPOSITUS in het Augustijner klooster, HENDRIK VAN ZUTPHEN, ging ijverig voort met onder zijne monniken de beginselen der hervorming te verspreiden, totdat hij in September 1522 werd gevangen genomen. Het volk bevrijdde hem, doch twee van de kloosterlingen, die met hem waren gevangen genomen, werden het volgende jaar te Brussel verbrand en het klooster zelf werd vernietigd. Van dien tijd af dagteekent de eigenlijke vervolging, die nu eens scheen te verflauwen, doch dan plotseling weder met vernieuwde woede ontbrandde en de geheele gemeente dreigde te doen ondergaan. Toch was dit niet het geval. Integendeel, de gemeente wies, en vooral toen in 1525 ook de Wederdoopers te Antwerpen verschenen, werd de aandacht der vervolgers eenigermate van haar afgetrokken. Toen GASPAR VAN DER HEYDEN, 1547 ongeveer, in Antwerpen aankwam, telde de Gereformeerde Kruisgemeente reeds vele leden, die in het geheim te zamen kwamen om hunne godsdienstoefeningen te houden, onder de leiding van zekeren JAN VAN OSTENDE, den eersten leeraar die ons bij name genoemd wordt. Wij zagen reeds, dat GASPAR bij een schoenmaker in dienst trad. Deze was ook een lid der kruisgemeente, doch dit was aan VAN DER HEYDEN onbekend toen hij zijn leerling werd. De wijze waarop zijn meester en hij ontdekten dezelfde gevoelens toegedaan te zijn, wordt ons verschillend beschreven. HOOGSTRATEN, KOK, e. a. berichten, dat de schoenmaker hem eens betrapte terwijl hij in 't geheim den Bijbel las, en na hem hierover hevig bestraft en bedreigd te hebben, om de standvastigheid van den jongeling te beproeven, zich zelf ook bekend maakte als eenen die de nieuwe religie was toegedaan. TE WATER 1. echter meldt, dat GASPAR, "slapende op den zolder, merkte dat zijn baas alle nachten met eene kaars op dien zolder kwam, en eene kist ontsloot, daaruit een boek nemende 't welk was de Bijbel, in welken het geruimen tijd las; hierop ontdekte hij zig aan zijn baas

-----------

l. Ref. van Zeeland. bl. 391.

en werdt dus een lid der vervolgde gemeente." Hetgeen TE WATER hier verhaalt, verdient te meer vertrouwen, omdat hij geput heeft uit de traditie, die nog onder de nakomelingen van VAN DER HEYDEN voortleefde, en het uit den mond van een hunner vernomen had. Sedert dien tijd woonde natuurlijk VAN DER HEYDEN mede de geheime samenkomsten der gemeente bij, en werd spoedig daarna zelfs tot haren leeraar verkozen. Wanneer is dit geschied? TE WATER, en op voorgang van hem al degenen, die later over VAN DER HEYDEN geschreven hebben, noemen 1550 als het jaar, waarin dit plaats vond, en zij gronden dit voornamelijk op de woorden van ABRAHAM HEYDANUS, in zijn Consideratien, 1. waar hij schrijft: "Wat soude mij dan aengaen, dat ick in 't laatste van mijn daegen, gaende met de eene voet nae 't graf, verlaetende de oude Leere, na schaedelicke nieuwicheden soude honckeren, en in Kercke en Academie sulcke Leeringhen trachten in te voeren en te doceren, die mij mijner Diensten souden onwaardigh en onnut maeken? Daar behoude mij de goede GOD voor. Ick ben van àl te goeden bloed opgeleydt, van sulcken Grootvader en Vader voortgekomen, die, als ik mijne jaren bij de haare gae paren, die sij in de Gereformeerde Kercke, den raat GODS dienende, hebben toegebracht: mijn Grootvader t'Antwerpen, MIDDELBURGH, Franckendaal: mijn Vader te Franckendaal en t'Amsterdam, als mede mijn broeder JOHANNES HEIDANUS, zal. ged. en ick tot Leyden, nu over de 126 Jaaren uytmaaken."

---------------

1. ABR. HEIDANI, consideratiën, over eenige saceken onlanghs voorgevallen in de Universiteit binnen Leyden 1676, bl. 36.

Daar de Consideratiën in 1616 zijn uitgekomen, komt men van zelf op het jaar 1550. Evenzoo vermeldt het grafschrift van ABRABAM HEIDANUS, die in 1678 te Leiden stierf, dat hij "cum patre et avo, continuata per successionem seric, 128 explevit ministerium," hetgeen dus tot hetzelfde resultaat voert. Vergelijken wij nu wat GASPAR VAN DER HEYDEN zelf ons aangaande deze zaak bericht. In een brief van 17 Juni 1581 spreekt hij van "de eere," die hij "nu 26 jaer in GODS gemeynte gehadt heeft." Hier rekent hij dus zijnen dienst als leeraar te beginnen in 1555. Elders, in de voorrede voor zijn boekje "van den Heyligen Doop," waarover wij later meer uitvoerig zullen moeten handelen, volgt hij dezelfde telling, daar hij ons bericht drie jaren lang de gemeente te Antwerpcn te hebben gediend, hetgeen, afgetrokken van 1558, het jaar waarin hij die stad verliet, ons weder op 1555 terugbrengt. Is hier verschil, of hoe hebben wij ons anders de zaak voor te stellen? Waarschijnlijk werd in October 1551 JAN VAN OSTENDE, de leeraar, die, gelijk wij reeds zagen, eenige jaren achtereen, de Antwerpsche gemeente gediend had, gevat, en als ketter veroordeeld om verbrand te worden, welk vonnis ook inderdaad aan hem voltrokken werd. 2. Zoo was de gemeente van haren leeraar beroofd. Spoedig vestigde zich haar oog op den jeugdigen GASPAR VAN DER HEYDEN. Misschien was hij, als tot de meer ontwikkelde leden der gemeente behoorende, in grooter of kleiner kring, reeds meermalen voorganger geweest en dus van

---------------

1. Bijlage B, N°. 23.

2 A. UYTTENHOOVEN, Geschiedenis der Hervormde Kerk te Antwerpen I bl. 92.

zelf de aangewezen persoon om den ontslapen leeraar te vervangen. 1. Hij nam de eervolle, doch gevaarlijke bediening, hem door de gemeente opgedragen, bij voorbaat aan, doch bleef zijn handwerk daarbij uitoefenen, om, naar het voorbeeld van PAULUS, der gemeente niet tot last te zijn, en misschien ook, om des te beter verborgen te kunnen blijven. Nadat hij aldus bijna vier jaren had gearbeid, werd hem in 1555 herhaaldelijk door de gemeente het verzoek gedaan, of hij niet zijn handwerk wilde laten varen en zich geheel aan het leeraarsambt wijden; dan zou de gemeente hem onderhouden. 2. Dit lezen wij in een brief 3., dien hij den 17 December 1555 aan den kerkeraad der gemeente te Emden schreef, en waarin hij haar om raad vroeg, wat hij in deze besluiten moest. Emden was in die dagen niet alleen het toevluchtsoord voor de vervolgden, maar tevens ook in zekeren zin de moedergemeente van vele anderen. Had men raad en hulp noodig, men wendde zich tot haar;

------------

1. HOOGSTRATEN, KOK, e. a. berichten, dat G. VAN DER HEYDEN werd aangesteld in de plaats van CHRISTOFFEL SMIT, of FABRICIUS, maar dit is een anachronisme, daar deze eerst in 1664 werd ter dood gebracht.
2. Hij was dus wel reeds in 1552 begonnen de gemeente te dienen, gelijk hij ook zelf zegt in de bovengemelde voorrede van zijn boekje "van den Heyligen Doop," dat in 1582 uitkwam, en waar hij bericht, dat hij door den Heer "omtrent over 30 jaren totten dienst zijnes H. Evangelii beroepen is;" maar pas in 1555 begon zijne onverdeelde toewijding aan het leeraarsambt. De strijd tusschen de verschillende opgaven is dus slechts schijnbaar; slechts het jaartal 1550 is minder nanwkeurig.
3. Deze brief is te vinden bij MEINERS Oostvrieschlandts Kerkel. Gesch, I. bl. 365.

was er eene gemeente die eenen leeraar noodig had, Emden zond er een. Dit blijkt ook wederom uit dezen brief. Hij begint daarin te vermelden hoe hij "CHRISTO den Heere, door den H. Geest, eene kleine tedere Bruydt of Gemeynte begint te verzamelen", en beschrijft daarna in 't kort welke eischen hij aan de leden der gemeente stelt, en welke ordinantiën zij in acht nemen. Elken Zondag-avond kwam men te zamen, ten huize van een der leden, terwijl aan ieder van hen, dienzelfden dag, de plaats, waar de zamenkomst zou gehouden worden, zoo geheim mogelijk geboodschapt werd, "want", schrijft VAN DER HEYDEN, "CHRISTUS beveelt ons serpentische voorzichtigheid te gebruyken in ons doen." Verder schrijft hij, dat JOHANNES à LASCO hem door brieven en andere boden ontboden heeft, om bij hem te komen, niet wetende dat hij in Antwerpen was. JOHANNES à LASCO was toen in Frankfort, waarheen hij in April van datzelfde jaar (1555) uit Emden vertrokken was, ten einde aldaar voor zijne Gereformeerde Nederlandsche medevluchtelingen eene kerk en vrije uitoefening van hunnen godsdienst van den Raad der stad te begeeren, hetgeen hem in Juni werd toegestaan. MARTEN MICRON was de eerste predikant, en deed den 15 Sept. de eerste predikatie, maar keerde spoedig daarop naar OostVriesland terug. Ik vermoed dus, dat à LASCO VAN DER HEYDEN gaarne in diens plaats had gehad, en hem daartoe bij zich deed ontbieden. GASPAR wist echter, blijkens dezen

-----------------------------------------

1. Vgl. LE LONG, Kort historisch verhaal van den oorsprong der Ned. Geref. kerken onder 't Kruis. bl, 61.

brief niet, tot welk werk à LASCO hem gebruiken wilde; hij schrijft namelijk, dat ht van tweeën gedrongen wordt, daar hij aan de eene zijde niet gaarne van de gemeente te Antwerpen, die hem lief geworden is, wil scheiden, ofschoon de last hem bijna te zwaar wordt, indien hij zijn handwerk er bij moet blijven waarnemen. "Ten anderen", aldus gaat hij voort, "ik zoude bij mijnen here (à LASCO) veel leeren, daar alle mijne begeerte na staat, ten waere, dat mijn here mij begeerde tot zijnen huisknecht, 1. waerinne het profijt en vorderinge mijns ambachts ook weynich gelegen waere. Indien hij mij begeerde om wat anders te doen, als lezen, schrijven etc. daertoe en hebbe ick de gave der latijnsche tonge niet; 2 zo wete niet, hoe het hiermede maken zal. Wilt mij uwen broederlijken raat hierinne mededeelen." De gemeente te Antwerpen wil hem ook niet laten gaan, daar zij zonder voorstander licht weder verstrooid zou worden, daarom heeft zij hem gevraagd, of hij zich geheel aan het leeraarsambt in haar midden zou willen wijden, gelijk wij reeds hierboven zagen. Hij wil echter hare beroeping niet aannemen, voor dat de gemeente te

-----------------

1. "Dit huisknecht" heeft eene eenigzins andere beteekenis dan die, welke wij er thans aan hechten, in den dienst van een Poolschen baron was een famulus wel iets meer dan wat wij een "knecht" zouden noemen. Toch pleit het voor de nederigheid van VAN DER HEYDEN dat, ofsehoon hij reeds geruimen tijd leeraar geweest was, het vermoeden bij hem kon opkomen, dat à Lasco hem bij zich ontboden had om zijn huisknecht te worden. Wij mogen echter veronderstellen, dat à Lasco meer met VAN DER HEYDEN voorhad.
2. Later heeft hij zich hierin geoefend, blijkens de brieven, die wij van hem bezitten, en waarvan het Latijn, hoewel niet altijd onberispelijk, toch goed verstaanbaar is

Emden daaraan hare goedkeuring heeft gehecht. Hij heeft hun daarom geantwoord "dat zij aan U. L. en JAN à LASCO schrijven zouden, om eenen nutteren dan ick ben, daartoe te verkiezen t' haren besten. Aangezien, dat U. L. meer gegeven is de verborgentheden des geloofs te kennen dan hen. Ook al waart schoon, datze geenen anderen dan mij en begeerden, gelijkze zeggen, zo wil ick sulx niet van mij selven, noch door hare verkiezinge, maar door de uwe aanveerden, opdat wij niet den valschen profeten en gelycken, die van zich selven loopen, eerze te rechte gezonden zijn." Het antwoord van Emden luidde naar 't schijnt, dat hij maar in Antwerpen blijven moest, en het aanbod der gemeente aldaar aannemen. Eer hij echter zich voor goed aan de gemeente verbond, wenschte hij in Emden tot zijn ambt bevestigd te worden. Opdat de gemeente nu echter niet zonder voorstander zou zijn terwijl hij afwezig was, werd uit Emden ADRIAAN VAN HAEMSTEDE ' gezonden, een ijverig, maar ook dikwijls wat al te voortvarend prediker, die gaarne zijn eigen zin deed, en met wien de Antwerpsche gemeente dikwijls moeilijkheden gehad heeft. Waarschijnlijk is deze in 1556 te Antwerpen aangekomen, en hebben VAN DER HEYDEN en hij eerst eenigen tijd te zamen gearbeid, voor dat de eerste naar Emden vertrok. Wanneer deze reis naar Emden plaats had is niet met nauwkeurigheid op te geven. Wij weten slechts, dat hij in Juni 1557 zich daar bevond en vóór 30 Augustus van datzelfde jaar

------------------

I. Vgl. over hem het belangrijke opstel in het Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, inzonderheid van Nederland, van KIST en ROYAARDS VI, bl. 43, volg.

weder te Antwerpen terug was.1.' Ik vermoed dus, dat hij in den aanvang van 1557 naar Emden vertrokken is; waartoe zou hij daar ook langer geweest zijn, daar de gemeente te Antwerpen, die in die dagen sterk toenam, hem noode kon missen, gelijk wij dan ook zien, dat VAN HAEMSTEDE zeer naar zijne terugkomst begon te verlangen, daar hij den 21 Juni 1557 aan de gemeente te Emden schreef: 2. "mij verlangt zeer, om een medehulpe te hebben; de last valt mij te zwaer. Ick woude wel, dat (lGASPAR VAN DER HEYDEN hem spoedichde." Vroeger was VAN DER HEYDEN ook al eens te Emden geweest, hetgeen men reeds zou kunnen opmaken uit het aantal groetenissen aan het einde van zijnen brief aan die gemeente (van 17 Dec. 1555), maar tot zekerheid verheven wordt door de volgende zinsnede in dien brief: "Voort bidde ick dy mijn broeder GERARD THOM CAMPEN dat gij mij de zomma en begrip wilt toezenden van de almoessen, daer af onze broeder HERMANNUS begonnen hadde te prediken, doe ick noch bij U lieden was, enz." Vermoedelijk heeft dit verblijf te Emden plaats gehad tegen het einde van 1554 of in den aanvang van 1555. Dit zoude ik daarom willen aannemen, omdat in dien tijd JOH. à LASCO zich te Emden bevond, voor dat hij naar Frankfort vertrok, en deze alsdan gelegenheid kan gehad hebben VAN DER HEYDEN op te merken, dien hij later, gelijk wij hierboven zagen, bij zich ontbood.

Doch keeren wij tot de Antwerpsche gemeente terug

---------------

1. Zie den brief van A. VAN HAEMSTEDE bij MEINERS I, bl. 375, en vgl. ook Werken der Marnix-Vereeniging, III, I1 1., (Brieven uit onderscheidene Kerkelijke Archieven.) bl. 62.
2. MEINERS a. w. I, bl. 375.

Den 30 Aug. 1557 schreven "de Dienaers, Auders (Ouderlingen) ende Dyaken der ghemeynten tot Andwerpen" eenen uitvoerigen brief 1. aan de "Dienaers der Nederlantsche Duytsche Ghemeynten tot Emden," waarin zij zich over ADRIAAN VAN HAEMSTEDE beklaagden. Wat was het geval? Deze leeraar had Antwerpen, denkelijk in Juli, verlaten en weigerde daarheen terug te keeren, tenzij de gemeente hem nader beriep. Voor zijn vertrek had hij evenwel stellig verklaard, dat hij slechts ging, "omme zijn zuster (die in Emden gebleven was) te beschicken ende oorlof te nemen." Hij had eerst plan gemaakt te vertrekken, eer GASPAR terugkwam, maar liet zich toch overreden om op diens terugkomst te wachten. Waarschijnlijk is VAN DER HEYDEN omstreeks de helft der maand Juli teruggekeerd, en is VAN HAEMSTEDE zeer spoedig daarop vertrokken. Vóór zijn vertrek "heeft JASPAER VAN DER HEYDEN hem merckelic gheseyt, dat hy van der ghemeynten begheert was." Men begrijpt dus niet waarom hij nog weder op eene bizondere beroeping aandringt, en wil hem die niet geven, tenzij hij eerst wederkome. "Off hyet niet en gelooft, (nl. dat hy begheert is)" schrijven zij verder, "connen wij niet beteren. JASPAER en is noyt op ander wyse van der ghemeynten begheerte aenghesegt, nochtans en is hij daerom tot Eembden niet ghebleven, want hy weet wel der ghemeynte meyninghe." Het schijnt verder, dat VAN HAEMSTEDE de gemeente had verwaarloosd, om daarbuiten het evangelie te verkondigen, "allegerende men moste die 99 scaepkens in de

-----------

1. Deze belangrijke brief is te vinden in de Werken der Marnix-Vereeniging, III, II I, (Brieven uit onderscheidene Kerkelijke Archieven) bl. 50.

wostenie verlaten ende het honderste zoucken." Hierover beklaagt zich de gemeente ook. Zij schrijft, "dat de herders bij de cudde moeten blijven, want hoe wél die 99 scaepkens, dwelc onse ghemeijnte zoude zijn, naer zijn zegghen, zolden zijn bewaert als hyse verlaet, moghen wij alderbest die 't daghelicx zien, weten, want twee Dienaers hebben wij altijt begheert, omdat die scaepkens niet verlaten, maer te beter ghewacht souden worden. Als dan den eenen herder de scaepkens vorseyt wilt verlaten, zoo behouven wij denzelven herder niet te houden oft te ontbiene, maer wij mochten ons metten eenen lijden, ghelyck wy langhe hebben moeten doen, wt noodt dat wij niet beters en conden crijghen. Maer onse broeder ADRIANUS noch JASPAER, hebben naer onse verstant sulcke officie niet ontfanghen, want eyghentlic te spreken, soo ist CHRISTUS ende der Apostelen officie ende der Proffeten, de scaepkens hier ende daer, de gansse weerelt over, te loopen zoucken. Wij zullen genoucht te doene vinden, om de herde 1. te weyden, over de welcke ons de HEERE tot herders gesteld heeft. De middel om de cudde bequamelic te weijden, heeft ons GLOD bequamelic geopenbaart, ghelijc elc sien mach, die de ghemeijnte nu siet, ende over een jaer noch gesien hebben, hoese namelic GLOD, door zijn onutsprekelijcke bermherticheijt, daghelicx seghent, zoo wel onder den Duijtschen als onder den Walen." Nog belangrijker is een tweede brief van den Kerkeraad van Antwerpen, aan dien van Emden, den 17den Februari 1558 geschreven. 2. VAN HAEMSTEDE was werkelijk in

--------------

1. De kudde.
2. Marnix-Vereeniging III, II I. (Brieven uit ond. Kerk. Archieven) bl. 59. volg.

Antwerpen teruggekeerd, maar had zich niet gehouden aan zijne belofte, om herder der kudde te blijven. Integendeel was hij steeds meer voortgegaan overal predikatiën te houden, buiten de godsdienstoefeningen der gemeente om, zoodat de twist steeds heviger ontbrandde. Verscheidene malen was GASPAR VAN DER HEYDEN als vredestichter tusschengetreden, en had hem "met lieflyckheid daerin vermaent, hij mochte die wyle die Schrift te beter ondersoecken, die broederen visiteeren hier ende daer, opdat de cudde te beter gedient werde, maar hij heeft daerop nyet geantwoerdt, weder 1. die extraordinarise predicatien solde laten, oft nyet." Ook had VAN HAEMSTEDE zich beklaagd, dat de gemeente hem niet genoeg verzorgde en niet voorzien had van kleeding, woning en onderhoud. Hierover wordt uitvoerig in den brief gehandeld, die vooral zeer belangrijk is, omdat veel van het bizonder leven der Dienaren in die dagen ons daarin wordt medegedeeld. Het was zeer moeilijk om eene geschikte woning voor de predikanten te vinden, daar zij gedurig moesten verhuizen, wanneer men vreesde, dat de plaats, waar zij zich ophielden, door de vijanden ontdekt mocht zijn. "Waren wt in een vrij landt," zoo schrijven zij, "daer men mocht vrijlijck woonen, prediken, etc., soo waert te prysen, dat onse Predicanten oft Dienaers een seker woonplaetse hadden, maar diewyle die periculen der Predicanten vele ende groot syn, soo en cunnen sy, om veel oirsaken, als geseght is, sulx nyet soo gepastlijcken hebben, voorneemlycken die gehoudt 2. syn. Op alle plaetsen

------------

1. of hij.
2. gehuwd.

en mogen sy nyet woonen, om de periculen. Een eygen huys en connen sy oock nyet hebben; want dicwylen noodich ware dat sij alle jaeren 8 oft 10 malen verhuysden, oft oock noch meer, na gelegentheyt der tyrannie." De Dienaren moesten dus worden uitbesteed bij gemeenteleden, die plaats hadden, en niet opzagen tegen het gevaar, waaraan zij door hunnen gast werden blootgesteld. Zoo had ook de Antwerpsche gemeente besloten, dat VAN HAEMSTEDE "soude wesen een maendt in d'een van den Dienaers huysen, die daer gelegentheit toe hadden, ende een maendt in eens anders desgelyx. Maar dat en wilde hij nyet doen. Hij en wilde sijn boeken nyet soo dicwijlen verhuysen." Verder op hooren wij ter loops waar GASPAR VAN DER HEYDEN gedurende geruimen tijd in Antwerpen gewoond heeft. Want de briefschrijvers gaan voort te verhalen hoe zij aan VAN HAEMSTEDE "eenige cameren in broeders huysen gewesen hebben", maar hoe "gheene van die hem behaecht heeft." De woningen, welke die meerendeels arme gemeenteleden aan hunne leeraars konden aanbieden, waren zeker verre van fraai; en het was voor mannen als VAN HAEMSTEDE en VAN DER HEYDEN, die van goede familie en het daarom wellicht beter gewend waren, misschien nog moeilijker om zich daarin te vinden dan voor anderen; VAN HAEMTEDE ten minste had allerlei bezwaren, die de brief op naïve wijze ons mededeelt. "Op d'een plaetse hadde hy weechluysen gesien; opt ander plaetse en stondt hem dat volck van den huyse niet ane; opte derdde was het wyf hem te vreemdt - ende dat was tot LOYS THIERRI, daer JASPAR lange gewoent heeft.' Deze LOYS THIERRI was ouderling of diaken der gemeente; ten minste wij vinden zijnen naam (LOYS TYRYE) onder den brief van 30 Augustus 1557. Het is jammer, dat ons niet te gelijk bericht wordt, welk handwerk hij uitoefende; het kon toch zijn dat hij de schoenmaker was, bij wien GASPAR het eerst zijn intrek genomen heeft. Wij zullen ons niet verder met dezen twist in de gemeente te Antwerpen bezig houden, daar hij ons onderwerp slechts zijdelings raakt, maar kunnen toch nog niet geheel van dezen laatsten brief afscheid nemen. Aan het slot vinden we namelijk nog eene belangrijke bladzijde aangaande VAN DER HEYDEN. Nadat de schrijvers de zaak van VAN HAEMSTEDE afgehandeld en aan die van Emden gevraagd hebben alles te schikken, gelijk het hun het beste voorkwam "ter eeren GODES ende stichtinge sijnder gemeynten," eindigen zij hunnen brief aldus: "Ende al ist, dat ADRIANUS bij ons blijft, soo sult ghij even wel voer ons sorge dragen, om noch eenen dienaer te hebben, want GASPAR, onze broeder, ons langen tijdt daeromme gequelt heeft, dat wij hem ontslagen solden, gelijck wij hem oock beloeft hebben." Wat was de reden van dit besluit bij den jeugdigen leeraar? Verschillende oorzaken worden ons in den brief opgegeven, welke GASPAR ook zelf, naar het schijnt, reeds langen tijd te voren naar Emden geschreven had. Hij diende de gemeente "met grooter beswaringe sijnder hertten, ende can nyet gevoelen in hem seluen, dat hij (als hij hem seluen daertoe nyet geroert vindt duer den Geest GODTS) dat behoirt te doene; want het is geen cleyn sake, voer GODT rekenschap te geven voer de gantze gemeynte, welcker bloet GODT van der Dienaeren handen heysschen sal." Het verblijf te Antwerpen was voor VAN DER HEYDEN steeds gevaarlijker geworden. De vervolgingen, die een tijd lang naar het schijnt, niet met de grootste gestrengheid waren ingesteld, begonnen thans weder in hevigheid toe te nemen. Misschien was dit ook wel een weinig de schuld van VAN HAEMSTEDE, wiens ijver soms wel wat te onberaden was, en daardoor de opmerkzaambeid der vervolgers trok, waardoor de gemeente tevens in gevaar kwam. Hoe het zij, GASPAR VAN DER HEYDEN gevoelde zich in Antwerpen niet meer veilig; hij was er langzamerhand te zeer bekend geworden, voornamelijk, gelijk hij zegt, "ouermidts hij die beghinner der gemeynten geweest heeft," en begreep dat het tijd werd om van standplaats te veranderen, gedachtig aan het woord van CHRISTUS: "Vervolgt men u in d'een stadt, vliedt in d' andere." Hij zocht zijn ontslag echter niet, opdat hij ledig mocht zijn of zijne gaven verbergen, noch ter wille van tijdelijk gemak, want gelijk hij zelf zegt, zijne goederen zijn niet buitengewoon groot "aengesien hij sijns handtwercks haluen, nauwelijcken eenigen middel weet, om den cost te gewinnene," maar hij was voornemens, om waar hij zich mocht bevinden, voort te gaan met te arbeiden aan den bloei der gemeente GODS, en wenschte daarom ook te Antwerpen te blijven, totdat Emden eenen anderen leeraar in zijne plaats had gezonden. Het werd hem echter niet vergund daarop te wachten, want, spoediger zelfs dan hij gedacht had, werd hij genoodzaakt te vertrekken. Deze brief, gelijk wij zagen, was van 17 Febr. 1558. Reeds op het einde van het vorige jaar waren er broeders gevangen genomen, en den 2den Juni 1558 schreef A. PISCATOR aan JOH. VAN UTENHOVE: 1. "fratres nostri Antverpiani adhuc sunt in vinculis, nec est spes ulla liberationis, sed quotidie exspectant mortem. Sunt numero 12, atque ejus ecclesiae membra ibidem." Deze gevangenneming had dus denkelijk in het voorjaar van 1558 plaats gehad. Spoedig echter werd het gevaar nog dreigender. In den nacht van den 18den Juni was de gemeente tezamen vergaderd geweest tot de viering van het Heilig Avondmaal. Door verraad eener vronw was het huis, waar VAN DER HEYDEN destijis verblijf hield, aan de vervolgers bekend geworden, en plotseling werd dat huis door den markgraaf JAN VAN IMMERSEELE "een bloetgierich mensche" met de dienaren van den schout bezet. De man bij wien de leeraar inwoonde werd gevangen genomen, en ook de papieren der gemeente, waarbij zich eene naamlijst der dienaren en ouderlingen bevond, vielen den vijanden in handen, maar de predikant zelf werd "miraculeuslyk genoeg" gered, gelijk VAN HAEMSTEDE 2 ons verhaalt. Het "miraculeuse" der verlossing, vermeldt VAN HAEMSTEDE zelf ons niet, maar TE WATER heeft ons die verhaald, en wel volgens eene mondelinge en schriftelijke overlevering, bij de nazaten van VAN DER HEYDEN bewaard gebleven. In zijne Reformatie van Zeeland, bl. 394 lezen wij: "De wonderbare wijze zijner verlossinge is deze geweest, dat hij, zig verborgen hebbende op eene geheime plaats, de deur van binnen vast toe deedt, zoodat de schout of

----------

1. zie KIST en ROYAARDS Ned. Arehief VI. bl. 57.
2. In zijne historie der martelaren, bij 't verhaal van den marteldood van GILLES VEBDIKT.

markgrave die niet konde openen, maar eenen zijner dienaren belastte op het dak te klimmen en de pannen af te ligten, 't welk als hij deedt, zag hij VAN DER HEYDEN op zijne knieën leggende en GOD biddende, doch door eene wonderlijke bestieringe van GOD, met deernis bewogen, verzekerde hij den schout dat er niemand in was, en ontkwam aldus het doodsgevaar." Terzelfder tijd werden verscheidene personen gevat die later ter dood gebracht zijn, "o. a. ANTONIE VERDIKT" een diaken der Antwerpsche gemeente, die den brief naar Emden nog mede had onderteekend, en den 12 Januari 1559 te Brussel werd verbrand. Is het wonder dat VAN DER HEYDEN, op wien men het bizonder scheen gemunt te hebben, daar men hem het eerst had gezocht, het nu niet langer raadzaam oordeelde te blijven? TE WATER 1. en UYTTENHOVEN 2. meenen, dat hij pas in 1559 Antwerpen heeft verlaten, nadat er door de overheid een prijs van 300 gulden op het hoofd van een predikant, en van 50 gulden op dat van een ouderling of diaken was gesteld, maar daar VAN HAEMSTEDE in Antwerpen gebleven was, kon dit hem ook gelden, terwijl den vijanden immers ook de vlucht van VAN DER HEYDEN niet bekend behoeft geweest te zijn. Ik vermoed integendeel, dat GASPAR na zijne wonderbare verlossing uit de macht der vervolgers, niet lang gewacht, maar zoo spoedig mogelijk die gevaarlijke stad verlaten heeft, vooral daar hij, gelijk wij hierboven zagen, reeds zoo lang gewenscht had te kunnen vertrekken. 3. Hier

-----------

1. TE WATER, Reform, van Zeeland, bl. 394.
2. A. UYTTENHOOVEN. a. w. bl. 105.
3. Vgl. ook KIST en ROYAARDS. a. w. VI. bl. 60.

mede eindigt de eerste periode van zijn veelbewogen leven. Weinig vermoedde hij, dat het hem, terwijl hij nu met levensgevaar Antwerpen en zijne geliefde gemeente moest verlaten, nog eenmaal vergund zou zijn, in diezelfde stad vrij uit het evangelie te verkondigen.

HOOFDSTUK II.

In de Ballingschap.

Waarheen zou hij vluchten? Naar Engeland ? Maar daar was het evenmin veilig, want "BLOODY MARY" was er koningin. 1. De weg naar Duitschland alleen was in die dagen voor Protestanten open. Algemeen wordt dan ook verhaald, dat GASPAR VAN DER HEYDEN bij zijn vertrek uit Antwerpen, de wijk nam naar de Paltz. Zoo TE WATER, UYTTENHOOVEN, GLASIUS, e.a. Alleen PIERRE BAYLE, in zijn artikel over ABRAHAM HEIDANUS, waarbij hij in eene noot in 't kort het leven van GASPAR insgelijks behandelt, schrijft aangaande dezen laatste: "I1 fut ministre a Anvers, d'où il se retira à Francfort, a cause de la persécution." En na nauwkeurig onderzoek wordt het ons duidelijk, dat BAYLE ook hier gelijk heeft.
Uit den brief in het archief der bibliotheek te Genève bewaard, die hier achter onder de bijlagen 2. te vinden is, blijkt toch, dat de schrijver zich te dien tijde in Frankfort bevond, en ofschoon de brief geen plaatsnaam noch datum voert, zoo is uit den inhoud met vrij groote zekerheid op te maken, dat hij geschreven moet zijn

------------

1. Zij stierf den 18den November van datzelfde jaar (1558.)
2. Bijlage A.

ongeveer in April of Mei 1562. Hoe was het namelijk der gemeente te Frankfort gegaan? Allereerst een woord over haar ontstaan.' Door den dood van EDUARD VI, koning van Engeland, en de daarop gevolgde troonsbeklimming van zijne zuster MARIA, was het lot der Protestanten in Engeland zeer veranderd. Genoten zij onder den eerste de meest mogelijke vrijheid, onder de tweede werden zij vervolgd, en zagen zich genoodzaakt in groote menigte het land te verlaten. JOH. à LASCO, MARTEN MICRON en JOHANNES VAN UTENHOVE vertrokken reeds in Sept. 1553 en kwamen, na eerst met hun reisgezelschap te vergeefs de gastvrijheid van den Deenschen koning en de inwoners van Hamburg te hebben ingeroepen, behouden in Oost-Vriesland aan, waar zij te Emden gastvrij werden opgenomen. VALERANDUS POLANUS, de predikant der Fransche gemeente te Londen, bleef na het vertrek zijner ambtgenooten nog eenige maanden in Engeland achter, maar besloot in Maart 1554 dat land ook te verlaten, om voor zijne gemeente eene veilige schuilplaats te zoeken. Deze vond hij te Frankfort a/M., waar hij, na een verzoekschrift aan den Raad dier stad te hebben ingediend, spoedig vrije godsdienstoefening en de Witte-Vrouwen-kerk ten gebruike verkreeg. Deze deelde hij later met de Engelsche gemeente, die kort na de Fransche in Frankfort was aangekomen, en beurtelings werd er in de Engelsche en in de Fransche taal gepredikt. In April 1555 kwam à LASCO uit Emden in Frankfort en verkreeg van den Raad dezelfde kerk ten gebruike als de Franschen en Engelschen. MARTEN

--------

1. Vgl. LE LONG, Kort Verhaal, bl. 66 vgg.

MICRON hield aldaar den 15 Sept. de eerste predikatie, en toen deze vertrokken was, werd PETRUS DATHENUS in zijne plaats beroepen. Door het groot aantal vluchtelingen, dat gedurig uit Engeland en de Nederlanden naar Duitschland stroomde, nam de Gereformeerde gemeente in Frankfort snel in omvang toe, zoodat wij dan ook zien dat men spoedig meer predikanten beriep. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat de blik van GASPAR VAN DER HEYDEN zich onwillekeurig naar Frankfort richtte, toen hij, uit Antwerpen verdreven, niet wist waarheen te gaan. Wellicht had JOH. à LASCO, die, gelijk wij zagen, in 1555 hem reeds bij zich ontboden had, dit aanzoek later herhaald, en wist hij, dat zijne diensten in Frankfort zeker welkom zouden zijn. Genoeg dunkt mij, om de stelling te bewijzen, dat VAN DER HEYDEN na zijn vertrek uit Antwerpen, naar Frankfort vertrokken en aldaar spoedig tot leeraar beroepen is. VALERANDUS POLLANUS was in 1558 overleden, en in dat zelfde jaar stierf ook Engelands koningin MARIA. Toen hare opvolgster ELIZABETH den Protestantschen eeredienst in haar rijk herstelde, keerden in 1559 de Engelsche vluchtelingen uit Frankfort weder naar hun land terug. Na hun vertrek begonnen de Luthersche predikanten al meer en meer een openlijken strijd tegen de Gereformeerden en deden gedurige aanzoeken bij den Magistraat der stad, om de vrije godsdienstoefening, hun vóór eenige jaren toegestaan, hun wederom te ontnemen, terwijl zij hen van allerlei dwalingen beschuldigden, voornamelijk ter zake van het avondmaal. Zij beweerden, dat, daar eigenlijk allereerst aan VALERANDUS POLLANUS de kerk was toegestaan, het recht tot gebruik daarvan voor de Gereformeerden bij diens dood had opgehouden, en zij wisten eindelijk den Magistraat zóó ver te krijgen, dat op den 23 April 1561 de vrije godsdienstoefening in de kerk van het Witte-Vrouwen-klooster den Gereformeerden verboden werd, met deze woorden: "De stads-predikanten hebben u bij den Raad aangeklaagd, en bekend gemaakt, dat gij met hen omtrent de leer voornamelijk van 't avondmaal, ook in de ceremoniën, verschilt. Derhalve is de Raad niet van willens deze ongelijkheid in de stad te gedoogen, en heeft eendrachtig besloten, dat de predikanten der verdreven christenen hunnen dienst zullen staken, totdat zij zich met de stads-predikanten omtrent de leer en de ceremoniën hebben vergeleken." Vruchteloos dienden de Gereformeerden smeekschrift na smeekschrift in, om den Raad te bewegen op dit harde besluit terug te komen; vruchteloos traden de universiteit van Heidelberg en de gezanten van FREDERIK VAN DE PALTZ en PHILIPS VAN HESSEN, voor hen tusschen beiden, niets mocht baten; het raadsbesluit van 23 April 1561 werd in Februari van het volgend jaar herhaald en bevestigd. Het gevolg hiervan was, dat vele Gereformeerden de stad verlieten, om elders herbergzamer streken op te zoeken. In dezen tijd verplaatst ons de brief van VAN DER HEYDEN naar Genève. Onder degenen, die in Frankfort gebleven waren, was verschil ontstaan over het al of niet geoorloofde van zijn kind te laten doopen of aan het avondmaal deel te nemen bij de Luthersche predikanten, nu de vrije godsdienstoefening den Gereformeerden ontzegd was. Daar sommigen door den nood gedrongen er toe overgingen, anderen echter het voor groote zonde hielden het avondmaal of den doop aan te nemen uit de handen van vijanden Gods, die hen als scheurmakers beschouwden, achtte VAN DER HEYDEN, die als leeraar eene dubbele verantwoordelijkheid voor zich zelven en de gemeente droeg, het geraden elders raad te vragen, hoe men in deze handelen moest. 1. De algemeene vraagbaak der Gereformeerden was CALVIJN. Groot is het aantal brieven dat hem uit alle oorden van Europa werd toegezonden, om raad en hulp bij allerlei moeilijke vraagstukken, en zeer dikwijls was het hem gegeven door zijne invloedrijke stem de geschilpunten te vereffenen en de verhitte gemoederen tot kalmte terug te brengen. Ook ditmaal werd zijne hulp weder ingeroepen, en met te meer vrijmoedigheid kon men zich in deze zaak tot hem wenden, daar hij de gemeente te Frankfort kende. Wij lezen bij LE LONG, 2. dat CALVIJN in Sept. 1.555 aan Frankfort een bezoek gebracht heeft, en bij die gelegenheid in de Witte-Vronwen-kerk heeft gepredikt. Hij voegt er bij, dat de Hervormer eenige dagen daarna wederom

----------------

1. Reeds gedurende zijne werkzaambeid te Antwerpen, was VAN DER HEYDEN tegenover Lutherschen geplaatst geweest, wier aantal in die stad vrij aanzienlijk was. Toen had hij aan Emden om raad gevraagd, gelijk wij uit zijnen reeds meer gemelden brief van 17 Dec. 1555, aan die gemeente gericht, bemerken. Hij spreekt daarin over de menigvuldigheid der secten en ketterijen, waarmede hij te kampen heeft, en vraagt om "argumenten" tegen hetgeen de Lutherschen aanvoeren voor de alomtegenwoordigheid van het lichaam van CHRISTUS, daar hij "op deze vragen gheen clare andtwoorde can geven "
2. Kort Verhaal, bl. 62. Men vergelijke verder: "Gegenbericht und verautwortung der Predicanten zu Franckfurt am Meyn, uffetliche klagschrifften der Welschen," etc. in de "Franckfurtischer Religions-Handlungen,' Beylagen. s. 75, waaruit tevens blijkt dat dit bezoek in 1556 plaatshad.

naar huis vertrokken is, "naar dat hij te vergeefs getracht hadde met de Luthersche Stadtspredikanten, aangaande de leere der Gereformeerden, op dewelke zij allerlei te vitten hadden, een mondtgesprek te houden." Zoo kon hij dus geacht worden in bizonderen zin met den toestand en de eigenaardige moeilijkheden der gemeente bekend te zijn. De brief van VAN DER HEYDEN draagt geen opschrift, en daar de schrijver aan het einde zegt: "Super his ex animo oro, ut vos (omnibus diligenter expensis) quid sentiatis nobis communicare dignemini, etc." en bovendien in den aanvang, van CALVYN zelven in den derden persoon spreekt, zou men geneigd zijn aan te nemen, dat zijn brief niet enkel aan CALVIJN, maar meer in het algemeen aan de vergadering der predikanten in Genève geadresseerd was, hetgeen dan ook geen bezwaar oplevert. Het is waarschijnlijk, dat het opschrift met eene korte inleiding verloren ging, ten minste zooals de brief daar nu voor ons ligt, is de aanvang wel wat al te abrupt. Na in het kort het besluit van den raad en de eischen der Luthersche predikanten te hebben medegedeeld, verhaalt de schrijver ons de vruchtelooze tusschenkomst der Duitsche vorsten ten behoeve der vervolgde gemeente, en de daarop gevolgde vrijwillige verhuizing van velen zijner geloofsgenooten. Daarna gaat hij over tot het eigenlijk verschilpunt, en zet de verschillende redenen uiteen, waarom het hem voorkomt niet geoorloofd te zijn "apud hujusmodi homines baptismum quaerere et ipsorum consuetudine absque peccato uti," doch aan het einde van den brief vraagt hij toch dringend om de voorlichting van hen, die hij als zijne meerderen in wijsheid erkent, want, zegt hij, "etiamsi hic alteras partes tucar tamen meliora semper audire et expectare paratus sum."- Het ligt buiten mijn bestek de verschillende redeneeringen ;` in den brief vervat, verder na te gaan; hier was het mij alleen te doen, om te betoogen, dat VAN DER HEYDEN werkelijk in Frankfort is geweest, en aldaar het predikambt vervuld heeft, hetgeen nog wordt bevestigd door de wijze, waarop hij zich in zijnen brief als het ware stilzwijgend mede onder de andere dienaren insluit. Hoe lang G. VAN DER HEYDEN in Frankfort gebleven is, is niet met zekerheid uit te maken; waarschijnlijk zal hij wel spoedig den stroom gevolgd hebben van hen, die de stad verlieten, om in het gebied van FREDERIK III keurvorst van de Paltz, zich neder te zetten. Deze toch had zich het lot der vervolgden aangetrokken, en bood hun in Juni 1562 het klooster Groot-Frankenthal aan, niet ver van Worms gelegen, waar spoedig eene niet onbelangrijke stad verrees, daar de gemeente gedurig aanwies ook door vluchtelingen uit Nederland. PETRUS DATHENUS was haar eerste leeraar. Toen deze in 1564 tot hofprediker van den keurvorst beroepen werd, werd VAN DER HEYDEN zijn opvolger bij de gemeente te Frankenthal. Zoo meldt HAUTZ in zijne "Geschichte der Universität HeideIberg." ' Waar heeft hij zich dan opgehouden van 1562-64? Misschien in Heidelberg in de nabijbeid van den keurvorst, indien wij ENS 2. mogen gelooven, die ons verhaalt, (wat hij weder bij ALTING, in zijne Historia Ecclesiae Palatinae, gevonden heeft) dat VAN DER HEYDEN meer dan eens met DATHEEN en TAFFIN door den keurvorst naar de Nederlandsche

------------

1. HAUTZ, Gesch. der Univ. Heidelberg II, s. 62.
2. Joh.. Ens, Kort historisch berigt van de Formulieren, bl. 59.

kerken is afgezonden, om hare zaken te bezorgen. Waarin deze zendingen bestaan hebben is onbekend. Misschien is hij ook reeds vóór 1564 te Frankenthal beroepen geweest, en heeft alzoo een tijd lang met DATHENUS te zamen gewerkt; de gegevens om deze zaken met eenige zekerheid te kunnen vaststellen ontbreken ons geheel. Stonden de archieven der gemeente van Frankenthal ons nog ten dienste, gewis, zij zouden ons over dit, gelijk over zoo menig ander thans nog duister punt licht verschaffen, maar helaas, de benden van LODEWIJK XIV hebben, gedurende hunne verwoestende strooptochten door de Paltz, Frankenthal geheel in de asch gelegd. Wij moeten ons dus ook hier tevreden stellen met de wetenschap, dat VAN DER HEYDEN van 1562-64 zich in de Paltz heeft opgehouden, en in het laatste jaar zeker predikant te Frankenthal was. Van zijn verblijf aldaar is niets bizonders bekend. Waarschijnlijk is hij daar gehuwd; zijn zoon GASPAR werd ten minste den 28 Febr. 1566 geboren. Het is niet onmogelijk, dat zijne vronw, CATHARINA GOETHEM, eene uitgewekene uit Vlaanderen was, daar wij, gelijk ik reeds opmerkte, een Schepen van dien naam te Hulst vinden. In 1566 was er in de Nederlanden eenige verademing gekomen. Het verbond der edelen had aan de landvoogdes doen zien, dat men de inquisitie en de bloedplakkaten moede was, en het volk kreeg nieuwen moed bij de gedachte, dat het niet altijd vervolgd en vermoord zou worden, zonder dat iemand er naar omzag. Het is waar, zij vertrouwden te veel op den steun dier edelen, waarvan verreweg de meesten veel beloofden, maar niets gaven, en slechts zeer weinigen getrouw bleven aan hetgeen zij zich hadden voorgenomen tot stand te brengen, maar hun optreden had toch dit gevolg, dat men algemeen zich vrijer gevoelde, en openlijk datgene begon te doen, wat tot nu toe slechts in het geheim geschied was. De hagepreken vervingen de geheime bijeenkomsten, psalmen werden luidkeels aangeheven, daar waar zij vroeger nauwelijks met fluisterende stem waren uitgesproken; de landvoogdes zag dit alles, maar vermocht niet het te beletten, en algemeen was de gedachte levendig: betere tijden breken aan! ' Onder de vele uitgewekenen, die van deze gunstige tijdsomstandigheden gebruik maakten om naar het vaderland terug te keeren, bevond zich ook GASPAR VAN DER

-------------

I. Men vergelijke over dit alles voornamelijk het schoone stuk van PHILIPS VAN MARNIX, getiteld: "Vraye narration et apologie des choses passées au Pays-Bas, touchant le Fait de la Réligion, en l'An MDLXVI, par ceus, qui font profession de la religion reformbe au-dit pays". Daaruit blijkt o. a. dat de hagepreek niet, als de beeldstorm door een ontijdigen en vurigen ijver van het volk is ontstaan, maar ten gevolge van een 'commun accord" en na rijp beraad van de leeraars en de ouderlingen der gemeenten, die daardoor wilden vóorkomen, dat men de prediking van de "nieuwe leer" voortdurend kon beschuldigen van allerlei oproerige en onchristelijke strekking, en tevens dat het volk zich niet naar allerlei conventiculen begaf, waar in dien tijd vooral, zooveel ongezonde leer aan eene uitgehongerde menigte aangeboden werd. Men achtte, te recht, "que ces presches, faits ainsi en public, etoient le vray moyen pour empescher le cours de plusieurs meschantes sectes, qui en secret ont eu long temps la vogue, d'autant que ceus, qui sous pretexte de l'Euangile par cy devant ont semé leurs erreurs en cachette, seront maintenant attirez en lumiere et contrains ou de se taire, ou de mettre leur doctrine a l'espreuve de la parolle de Dieu." Dr J. J. VAN TOORENENBERGEN, PHILIPS VAN MARNIX, Godsd. en Kerkel. Geschriften. I, bl. XXVI.

-----------------------

HEYDEN. Hij en vele anderen konden niet vergeten, dat zij vreemdelingen waren in een vreemd land, en hun hart drong hen om terug te keeren tot hunne vroegere gemeenten in het vaderland, zoodra de gelegenheid daartoe open stond. Van alle zijden stroomden de predikers binnen, en ook Antwerpen werd spoedig weer vol. Die stad, waarheen VAN DER HEYDEN zich ook natuurlijk begeven had, was in vele opzichten het brandpunt der beweging. Gedurende de geheele maand Juni 1566 werd er iederen dag in twee talen te Borgerhout en te Berchem gepredikt, en na afloop der prediking, door Calvinisten en Martinisten zonder den Roomschen ritus gedoopt, getrouwd of begraven. De 1ijst der mannen die in dien tijd te Antwerpen het evangelie verkondigden, was vrij aanzienlijk; wij vinden er behalve VAN DER HEYDEN, LOYSELEUR, TAFFIN, CARPENTIER, JUNIUS, MODED, SYLVANUS, en anderen. 2. VAN DER HEYDEN zal denkelijk in April te Antwerpen gekomen zijn, maar volgens sommigen is hij er niet lang gebleven. Volgens UYTTENHOOVEN 3. vertrok hij reeds bij de afkondiging der Moderatie, omdat het getal predikanten te Antwerpen nu groot

----------

I. Vgl. l'Inquisition et la Reforme en Belgique, par CHARLES RAHLENBECK, page 59.
2. Vgl. mémoires de J. DE WESENBEKE, (edition de CH. RAHLENBECK, page 75) die het volgende schrijft: "assçavoir que audict Anvers, du moings trois de tels ministres ou prescheurs (HERMAN MODET, GEORGE SILVAIN, CASPAR DE LA HAYE) ont l'an 66 publiquement enseigné leur religion, lesquels des l0, 15 ou 20 ans auparavant, avoient eu de coustume de prescher et enseigner la mesme en secret, tant en Anvers que ailleurs." Met dezen "CASPAR DE LA HAYE", in de Hollandsche uitgave van WESENBEKE als "CASPAR VAN DEN HAGE" vertaald, bedoelt hij natunrlijk G.
VAN DER HEYDEN.
3. Gesch. der Herv. Kerk te Antw. bl. 149.

genoeg was. Dat zou dan reeds in het begin van Mei geweest zijn. Ook W. TE WATER 1. is dit gevoelen toogedaan. Hij meldt, dat VAN DER HEYDEN een geruimen tijd vast predikant is geweest te Axel, aldaar en in de omstreken het Woord heeft verkondigd, en eerst in September of October naar Antwerpen is teruggekeerd. Deze schrijver, die zelf predikant te Axel geweest is, heeft ook van de geschiedenis van die stad bizonder werk gemaakt en, naar hij zelf ons verhaalt, eene kerkelijke historie van Axel en Axelambacht geschreven, die echter, helaas, nooit het licht heeft gezien, en waarvoor hij thans niet meer voorhanden zijnde manuscripten schijnt gebruikt te hebben. Aangaande het verblijf van VAN DER HEYDEN in die stad en hare omstreken kwamen daarin zeker ook belangrijke berichten voor, gelijk wij zouden mogen opmaken uit heigeen wij van zijne hand in J. W TE WATER'S Reformatie van Zeeland lezen, waar hij, over dat verblijf en zijne gevolgen handelende, zegt: "'t welk alles ik omstandig heb verhandeld in mijn kerkelijke historie van Axel en Axelambacht." 2. Dr. VAN VLOTEN 3. heeft ons gelukkig het gemis van deze bescheiden eenigermate vergoed, door de opteekening van

---------------

1. In zijn Lofvermeldent Levensverhaal van KASPAR V. D. HEYDEN eersten hervormden kerkleeraar van Axel, Boekzaal 1754, bl 445.
2. Reform. v. Zeeland, bl. 396.
3. In zijne belangrijke opstellen, getiteld: "Losse aanteekeningen, betrekkelijk den Vrijheidsoorlog," en opgenomen in de Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, verzameld door H:Q. JANSSEN en J.H. VAN DALE, II, bl. 178. vgg en 307 vgg.

hetgeen hij in Brussel vond onder de bij den Bloedraad ingekomen stukken over de processen in 1569, betrekkelijk de beroerte gehouden, en met name de "informatie door baljuw, burgemeester en schepenen van Axel genomen, omtrent degenen, die daar in de beroerte waren betrokken geweest." Ofschoon nu TE WATER gewoonlijk zeer betronwbaar is en goede bronnen gebruikte, zoo schijnt het toch, wanneer wij het door hem medegedeelde met de berichten van Dr. VAN VLOTEN vergelijken, dat hij zich hier vergist heeft aangaande den duur van het verblijf van VAN DER HEYDEN te Axel. Doch laat ons, eer wij een voorbarig besluit opmaken, de verschillende berichten nauwkeurig nagaan, en zoodoende trachten tot de juiste toedracht der zaak te komen. Axel en Axelambacht maakten in die dagen nog een gewest met de beide Belgische Vlaanderens uit, en hadden evenals deze, den graaf VAN EGMONT tot stadhouder. Geheel het gebied van dien graaf was het brandpunt van de bewegingen van die dagen, en ook in Axel had weldra de "religie" aanhangers gekregen. EGMONT was toen nog niet geneigd de belijders der nieuwe leer te vervolgen, gelijk de landvoogdes van hem begeerde, en liet de predikatien oogluikend toe. 1. In Axel had zich dan ook een consistorie van zorg en beheer voor de jonge gemeente gevormd, waarin zelfs aanzienlijken en leden van het bestuur der stad zitting hadden. 2 BERNARD VAN DEINSE wordt als degene genoemd, ten huize van wien men gewoonlijk ter godsdienstoefening samen kwam.

--------------------

1. MOTLEY, the Rise of the Dutch Republic I. p. 449.
2. VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, enz. bl. 179.

Vóór de komst van VAN DER HEYDEN te Axel had aldaar reeds een ander predikant, BALTHAZAR PIETERS, gearbeid, doch deze was door de overheid uit de stad gejaagd, omdat hij daar had willen prediken. 1. De eerste maal, dat wij VAN DER HEYDEN in Axel aantreffen, is op St. Bartelsdag, Zaterdag den 24 Aug. van het jaar 1566, op welken dag hij tweemaal in het openbaar gepredikt heeft, terwijl er eene groote menigte volks van Eecloo en Hulst gewapend bij tegenwoordig was geweest. De predikant had zijn intrek genomen bij den zoo even genoemden BERNARD VAN DEINSE, en THOMAS DE WILLAGHER vinden wij vermeld als dengene, die hem naar den preekstoel geleidde. 2 Den 20sten Augustus had de beeldstorm te Antwerpen plaats gehad, volgens het bekende versje:

Den 20sten Augustus zijn de beelden verstoord
t'Antwerpen, en van de ketters versmoord,

en binnen ééne week had hij zich, gelijk een orkaan, over het geheele land uitgebreid. Het is moeilijk te zeggen waar hij begon en waar hij eindigde. Indien van iets, dan kon van den beeldstorm gezegd worden, dat hij "in de lucht" zat. Alleen in Vlaanderen zijn meer dan 400 kerken van beelden beroofd. 3 Ook Axel werd niet voorbijgegaan. Den 25sten Augustus, daags na de beide sermoenen van VAN DER HEYDEN, had het "beeldebreken" in die stad plaats. Een der getuigen in het Axeleche proces verklaart, "dat hij dien dag es gegaen naer de

---------------

1. Lofvermeldent Levensverhaal van KASPER VAN DER HEYDEN, door WILLEM TE WATER, Boekzaal 1764, bl. 415.
2. VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, bl. 182.
3. MOTLEY, The Rise of the Dutch Republic I, p. 471.

kercke, die hij gesloten vont, ende zo hij was loopende, omme inne te geraken, wiert hem van weghen de keercbrekers 1. gheseyt, dat hy er niet inne en mochte, 't en ware, dat hij mede wilde helpen breken; dwelc de dept heml. moesten beloven; ende binnencomende, zach aldaer diveersche personen bereedt om te breken; daerof negheene en zyn ongeëxecuteert of ghebannen, dan ANTHEUNIS WATERVLIET; ende zo zy jeghens den dept. zeyden: ghy moet medebreecken, twelc hy heml. refuseerde, moeste uuter kercke treden." Behalve in de Axelsche kerk, werd ook in het klooster te Haghe "gebroken." Een Sint-Jansbeeld werd onder luid gejuich en gejoel der beeldbrekers op dat der H. Maagd geworpen, terwijl een der beeldstormers den beelden den neus afsneed, onder het voorgeven van bloed te willen zien. 1. Daags na dezen beeldstorm te Axel, dus op Maandag 26 Angustus, trok VAN DER HEYDEN naar Hulst. 2. Hij werd vergezeld door een troep gewapende geuzen, waaronder BERNARD VAN DEINSE en eenige anderen, die in Axel de beelden hadden helpen vernielen. 3.
In Hulst had zich ook reeds eene gemeente gevormd. In Februari 1565 was er een zekere JAN DE GRAVE

-----------------

1. VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, bl. 182.
2. En niet omgekeerd, van Hulst naar Axel, gelijk J. W. TE WATER in zijn Reformatie van Zeeland bericht, bl. 395, ofschoon zijn vader W. TE WATER, in de Boekzaal 1754, bL 446, de juiste chronologische orde heeft.
3. Dr VAN VLOTEN a. w. bL 183, voegt er eenigzins sarcastisch bij: "na zijn tweedaagsch verblijf in Axel met preeken en breken zoo wel besteed te hebben." Wij zullen later nog nagaan, welk aandeel
VAN DER HEYDEN vermoedelijk aan dien beeldstorm gehad heeft.

--------------------------

als ketter verbrand, en in Mei van het volgend jaar een ander met het zwaard gedood. 1. Thans echter waren de Gereformeerden er sterk genoeg om ook eene openbare prediking te wagen. JACOB HUYSSENS, een uit Hulst gebannen Protestant, had aan zijn schoonbroeder en geloofsgenoot JOOST VAN DALE, een brief geschreven, waarin hij de aanstaande komst van VAN DER HEYDEN meldde, en hem verzocht aan de Overheid verlof te vragen tot het houden van openbare preeken. Hij voegde in zijn brief er bij, dat zij, bij eventueele weigering der regeering, wel sterk genoeg waren om hunnen wil met geweld door te zetten, "et que cette icelle ville tomberoit en ruine, et qu'ils estoient puissans de le faire par force, alléguant beaucoup de mille de gensdarmes à ce prest, si besoign fust." De Hulster Magistraat zond terstond twee zijner leden naar Axel, om den predikant te verzoeken van zijn bezoek te willen afzien, maar gelijk te verwachten was, weigerde deze aan dat verzoek te voldoen, zeggende, dat hij er toe gelast was, en wel gedwongen zijn werk in hunne stad te verrichten. Den 26sten Augustus des voormiddags, kwam de wagen met VAN DER HEYDEN en de zijnen door de Gendsche poort de stad binnen; 2. de predikant nam het middagmaal in de herberg De Swaen, waaraan ook eenige Hulstenaars deelnamen. 3. Op het Sint Willebrordskerkhof, op den

--------------

1. JANSSEN, Kerkhervorming in Vlaanderen I, bl. 247.
2. De burgemeester PIETER LOOT beschrijft
VAN DER HEYDEN als een man van omtrent 33 jaren, cort van persoone."
3. Vgl. J. VAN LANSBERGHE, Beschrijvinge der Stadt Hulst' bl. 235, waar wij lezen, dat "18 Sept. van 't jaar 1568 Joos CORYNSSEN bij vonnis

hoek van de groote markt, voor het huis Het Gulden Hooft genaamd, werd een preekstoel opgericht. De overheid had reeds de drie schuttersgilden (van St. Sebastiaan, St. Joris en St. Christoffel) in de wapenen geroepen, 1. om zoo het mogelijk ware de prediking te beletten, maar liet eerst VAN DER HEYDEN nogmaals verzoeken den predikstoel niet te beklimmen. De prediking nam echter een aanvang, onder grooten toeloop van menschen, maar de griffier der stad, NICOLAAS LOOT, maakte zich met eenige gewapenden op, en begon onder de menigte te slaan, "sulcx dat daer over groot oproer ontstont, en 't vervolg der gemelte predicatie belet wiert, maer echter die van de Hervormde Godtsdienst d'overhandt krijgende, hoewel geweken sijnde tot bij de Gendtsche-Poort, wiert deselve aldaer hervat en voleindigd." 2. Uit de proces-

-------

van de wet gecondemneert is om gegeesselt te werden, van de Gendsche poort tot voor de herberg De Swaen, sijnde tegenover de groote kerckdeur, omdat hij twee jaeren te vooren, naementlijck 1566, van de voornoemde Poort af, mede had ingehaelt den predicant HEYDANUS en die helpen geleyden tot inde voorseyde Herberge."
1. Vergelijk F. CALAND, Oudste Rekening der kerk van Hulst, in het Archief van het Zeeuwsch Genootschap, alwaar onderde latere rekeningen ook deze voorkomt:
1566-67. "Bet. van een tonne biers, vdroncken op 't scepenhuijs by de schutteryen, aldaer vgadert in Ougst. LXVI, ten daghe als een JASP.
VAN DER HEYDEN, minister vand.nieuwe religie, alhier met syn gheselscap inne ghekomen is, ome de kercke te raseren, metten anderen oncosten, de some van IX S. VIII gr."
2. VAN LAN8BERGHE, a. w bl. 231, volgens welken deze prediking twee of drie dagen vóór der beeldstorm plaats heeft gehad. Uit de berichten van Dr. VAN VLOTEN blijkt echter, dat het alles in één dag geschiedde.

stukken blijkt, dat de overheid den predikstoel had laten wegnemen, en dat deze weder opgezet werd in den tuin van het schuttersgild van St. Sebastiaan, waarheen de geuzen zich nu allen begaven (onder hen bevond zich ook de schrijver van den zoo even gemelden brief, JACOB HUYSSENS), zoodat aldaar te ongeveer 3 uur des namiddags de prediking geschiedde. 1. Terstond na de preek keerden allen naar de St. Willebrordskerk terug, terwijl twee van hen naar het raadhuis werden gezonden, om aan den magistraat een papier te toonen, waarop de namen van een dertigtal personen voorkwamen, welke de predikant VAN DER HEYDEN aangewezen had, om de beelden in de kerk weg te nemen. De overheid mocht diegenen onder hen, die haar minder bevielen, van de lijst wegschrappen. Zij antwoordde echter, dat zij er zich niet mede wilde bemoeien, maar dat zij wist wat zij te doen zoude hebben. 2. De regeering der stad had, daar zij den beeldstorm wel voorzien had, de kostbaarste beelden en

-------------

1. Vgl het door Dr VAN VLOTEN, bl. 308 aangehaalde uit de processtukken: "que ceulx de la loi, l'avoient faict oster" (nl. den predikstoel,) "lequel estoit remiz en ung coing de la ville au jardin de ceulx de S. SEBASTIEN; s'est ledit ministre (apres avoir disué) illecq transporté avecq sa compagnie, y preschant ung sermon."
2. VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, bl. 309; de getuigenis van den burgemeester PIETER LOOT wordt daar aangehaald, die o. a. het volgende behelst: "werdt heml.-wethouders, vergadert zijnde up't scepenhuis, bij den voorn. predt gezonden een billet, inhoudende de namen van de gheene bij hem gedeputeert, omme de brake te doene in de kercke, omme te wetene ofte zij scepenen yemant van de selve wisten te blameren, ofte reputeerden rebellen te zijne; daerup zij scepenen antwordon henlieden tselve niet ane te draghene;" enz.

------------------

kerksieraden doen wegnemen en elders opsluiten, maar hetgeen er nog was bezweek natuurlijk voor den ijver der brekers; het sacramentshuis, het kruisbeeld en eenige altaarstukken en heiligenbeelden werden vernield. Terwijl men hiermede nog bezig was, traden eenigen van de overheid de kerk binnen, om te zien of er nog iets gered kon worden, en tevens te weten, wie de schuldigen waren. Zij vonden er onderscheidene hun bekende Hulstenaars, waarvan de meesten later zijn gevonnisd, doch die ons nu minder belang inboezemen, en ook den predikant VAN DER HEYDEN. 1. Na de kerk van beelden gezuiverd te hebben, trok men naar het klooster der Observanten, alwaar niet veel te breken was, aangezien het klooster in den grooten brand van Juni 1562 mede in de asch was gelegd. 2. Zoo was de beeldstorm te Hulst afgeloopen. VAN DER HEYDEN vertrok den volgenden dag (Dinsdag 27 Aug.) naar het nabijgelegen Eecloo, alwaar men hem gevraagd had, een kind te komen doopen, 3. doch keerde reeds Woensdag avond terug, en nam weder zijn intrek op de hoeve van JACOB HUYSSENS, dicht bij Hulst. 4 Ter

-----------------
1. Gelijk de burgemeester ook getuigt, die een van degenen was, die in de kerk gingen "ende aldaer sach den predicant".
2. Later werd dit het klooster der Recolletten; vgl. VAN LANSBERGHE a. w. bl. 48 en 230.
3. Wellicht het kind van CATELINA ROGGE; zij was de eerste, die haar kind bij de Gereformeerden liet doopen; vgl. Bijdragen tot de Gesch. en Oudh. v. Zeeuwsch-Vlaanderen III. bl. 60, en JANSSEN. Kerkh. in Vlaanderen I. bl. 189. In Eecloo was reeds eene vrij aanzienlijke gemeente.
4. Hij was dus niet den avond van den 26sten Aug. naar Axel teruggekeerd, gelijk VAN LANSBERGHE: bericht, bl. 232.

hij nog in Eecloo was, kwamen er verscheidene sectarissen bij den burgemeester van Hulst, om dezen de sleutels der kerk te vragen, ten einde te vernielen wat er nog over mocht zijn, doch hij weigerde, daar hij vernomen had, dat er een plakkaat tegen den beeldstorm was uitgevaardigd. Nadat hij den stadsschrijver naar Gent had afgezonden, en deze met een afschrift van het plakkaat was teruggekomen, werd dit des Woensdags avonds door een deurwaarder in Hulst afgekondigd. VAN DER HEYDEN zond toen een paar zijner aanhangers met een brief naar de overheid, waarin hij haar verzocht zijne predikatiën in de stad te mogen voortzetten, doch deze weigerde, zich beroepende op het plakkaat. Hij beproefde het echter toch, doch moest onverrichter zake terugkeeren, daar de poorten voor hem gesloten bleven. Dit geschiedde op St. Jan, Donderdag den 29sten Augustus, gelijk wij vernemen uit de getuigenis van den procureur HOLLEMAN, 1.

------------------

1. "Er waren", zoo luidt zijn getuigenis, "dien dag,' s morghens omtrent den zes uren, aan zijn huys gecomen omtrent 12 persoonen, hem fortselynge uuten huuse haelende, dreigende den dept. ende zijne huysvronwe met bussen te doorschieten, bedwingende den dept. mede up den waghen te zitten, met huerl. predicant, om te verantwoorden zijn aenzegghen. Ende werd de predt. alzoe naer Hulst geconvoyeerd met veel volcx, rijdende alzoe tot omtrent der wijngaerde, zodat hij dept. mits diversche arguatien, die hij jeghens den predt. hadde, onderweghe was wel totten XI hueren; ende hebben de voorn. persoonen dept. in zulcker wijs gedreicht, dat hij van vervaerthede van den waghene spronc ende henl. Ontliep naer Hulste, denunciërende de wet de compste van den voorn. predt. en zijne steerckte, zulcx de poorten gesloten wierden, ende den predt niet inne en gerochte; ende hij dept. is tsavonds uuterstede vertrocken, verzelschapt met zeker officiers, bij de wet hem toegelaten". VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, bl. 183.

die gedwongen werd den tocht naar Hulst mede te maken, doch door wiens toedoen de zaak in duigen viel, daar hij ontvluchtte, eerder in de stad aankwam, en aan de overheid kennis van het aanstaande bezoek kon geven, die toen aanstonds de poort deed sluiten. VAN DER HEYDEN begaf zich daarop naar het dusgenoemde Malstede, waar hij predikte, en reisde naar elders zonder Hulst meer te bezoeken. De roode ruiters onder BACKERZEELE, den luitenant van den graaf VAN EGMONT, maakten in October 1566 aan de Gereformeerde godsdienstoefeningen in Axel, en in November aan die te Hulst een einde, nadat er in eerstgenoemde plaats onlusten ontstaan waren, ten gevolge van het in hechtenis nemen van eenige beeldstormers, die door het volk uit de gevangenis waren bevrijd. Volgens W. TE WATER 1. was VAN DER HEYDEN tot dien tijd in Axel gebleven, en vertrok hij nu eerst van daar naar Antwerpen, omdat hij "wetende, dat de Roomsche geestelijkheid, benevens alle de bittere Roomschgezinden, gewoon waren den predikanten de schuld te geven van de beeldestoringe en kerkplunderinge, het onweder zag opkomen, 't welk de Roomsch- en Spaanschgezinden, op zijn hoofd zouden hebben pogen te doen vallen." Hier rijst de vraag reeds boven geopperd: is dit juist? Heeft waarlijk VAN DER HEYDEN al dien tijd, dien TE WATER opgeeft, in Axel doorgebracht? Ik geloof het te moeten betwijfelen. Stellig ontkennen kan men het natuurlijk niet, daar wij niet weten, welke ons onbekende bronnen voor de geschiedenis van Axel hem ten

------------

1. Boekzaal 17.54 bl. 449.

dienste stonden, maar toch, wanneer wij het in de voor gaande bladzijden verhaalde aangaande VAN DER HEYDEN'S verblijf te Axel en Hulst nauwkeurig nagaan, dan komt het mij voor, dat wij hier eerder te denken hebben aan eene van uit Antwerpen ondernomen reis van een paar weken naar de verschillende steden van Vlaanderen, met het doel om het Woord te prediken. Wanneer wij opmerken hoe de beide preeken van VAN DER HEYDEN op 25 Augustus ons worden gemeld, en daarbij vernemen dat hij toen zijn "intrek genomen had" bij BERNARD VAN DEINSE, dan rijst reeds het vermoeden bij ons op, dat hier de eerste preeken van den leeraar te Axel worden beschreven, en niet dat hij reeds een geruimen tijd vast predikant te Axel was. En dit vermoeden verliest voorzeker niet aan waarschijnlijkheid, ja ik zou zeggen, klimt bijna tot zekerheid, wanneer wij acht geven op een brief, den 18den of 20sten Aug. door zekeren HANSKEN, een zakkedrager die te Antwerpen woonde, geschreven, waarin deze aan den Hulster schepen ANTHONY GEEROLF, die zelf ook verdacht werd een aanhanger der nieuwe leer te zijn, meldde, "dat ettelijke sectarissen met een predikant naar Axel en Hulst. zouden komen, om daar te preeken en hun godedienst te plegen." 1. Wie anders dan G. VAN DER HEYDEN kan met dezen predikant bedoeld zijn, die zich dus blijkens dezen brief, den 20sten Aug. nog te Antwerpen bevond. Wij mogen dus met voldoende zekerheid vaststellen, dat VAN DER HEYDEN eerst tusschen den 20sten en 23sten Aug. uit Antwerpen naar Axel is vertrokken. Of hij,

1. VAN VLOTEN. Losse aanteekeningen, bl. 307, in de noot. 4

nadat hem de prediking in Hulst geweigerd was, naar Axel teruggekeerd en daar gebleven is, totdat de Roo-ruiters van Backerzeele hem kwamen verjagen, kunnen wij, daar ons de noodige bescheiden ontbreken, natuurlijk niet beslist ontkennen, maar het komt mij toch eenigzins onwaarschijnlijk voor, daar wij anders licht van hem zouden hooren bij gelegenheid van de Axelsche onlusten. Bovendien, TE WATER laat VAN DER HEYDEN uit Axel vertrekken, "omdat eenige inwoonders van die stad, geholpen door sommigen van Hulst, begonnen waren de beelden te vernielen, en hij beducht was dat men hem daarvan de schuld zou geven." 1. TE WATER schijnt gemeend te hebben dat deze beeldstorm slechts korten tijd aan de Axelsche onlusten is voorafgegaan, die, gelijk hij zelf terecht aangeeft, in October plaats hadden, en daardoor tot de gedachte te zijn gekomen, dat VAN DER HEYDEN tot October in Axel is gebleven. Van meer belang voor ons is de vraag: Welke was de verhouding van G. VAN DER HEYDEN tot den beeldstorm, en stond zijne komst te Axel en Hulst daarmede ook in verband ? Het is zeer moeilijk een juist, onpartijdig oordeel te vellen over den beeldstorm, hetgeen wel daaruit het best blijkt, dat hij uit zoo verschillend oogpunt is beschonwd. De meeste schrijvers die er over handelden, hebben zich te veel blijven bewegen in den gedachtenkring en het oordeel van hun tijd, zonder zich genoeg te verplatsen in de stemming, die er ten tijde van het door hen te beoordeelen feit heerschte. Roomschen en

--------------

1. Boekzaal 1764. bl. 448.

Onroomschen te zamen bleven steeds jammerklachten aanheffen over het vandalisme, dat zoovele schoone gewrochten der kunst onherstelbaar verwoest had, terwijl de eerstgenoemden dit hun afkeurend oordeel nog verzwaarden, door den banvloek uit te spreken over het "goddelooze" van de daad. Terwijl de Roomschen natuurlijk alle schuld gaven aan de Gereformeerde predikanten, die naar hun zeggen het volk er toe hadden aangezet, vervielen de Protestantsche geschiedschrijvers weder in het tegenovergestelde uiterste, en beweerden dat hunne leeraars het geheele feit als uit den booze verafschuwden, en nooit door woord of daad er eenigzins toe konden hebben aangespoord. Eerst in deze eeuw heeft men eindelijk begonnen het juiste licht op de zaak te doen vallen. Men heeft beter begrepen dat de schuld niet kan geworpen worden op deze of die persoon of klasse van personen, met uitsluiting van alle anderen, indien hier van schuld sprake kan zijn; men heeft ingezien, dat de beeldstorm eenvoudig het noodzakelijk gevolg was en de practische uiting van hetgeen sedert langen tijd in veler gemoed werkte en eindelijk tot eene uitbarsting moest komen. Het was niet eene blinde zucht tot vernielen, die de beeldstormers dreef; het was ook niet de begeerte, om eens te toonen wat men kon tegen regeering en geestelijkheid, of om op de een of andere wijze zijn haat te koelen tegen de Roomsche kerk; neen, de oorzaak was eenvoudig de meer en meer wassende tegenzin tegen de afgodische vereering van de beelden, en een krachtig protest daartegen was er het gevolg van. De beeldenvereering, die toch feitelijk schepselvergoding was, stuitte het volk al meer en meer tegen de borst, terwijl het te nuchter was, om gelijk de Zuidelijke volken, voor het schoone der vormen de ongoddelijkheid van den inhoud te vergeten. Ook de sterke Oud-Testamentische kleur die het Calvinisme droeg, en dat eigenaardig rigoristische, dat wij in zijne ethiek opmerken, droegen er niet weinig toe bij den afschuw tegen de "gesneden beelden" te vergrooten.
Had Mozes gevraagd, of het gouden kalf ook misschien te schoon was bewerkt, om het te vernielen? Was het vandalisme in GIDEON dat hij het beeld van den Baäl omwierp, en hoe te oordeelen over Israëls vrome koningen, die steeds hunne regeering begonnen met de vernietiging van al de afgodsbeelden, door hunne voorgangers opgericht, en waarvan staat opgeteekend, dat zij deden wat recht was in de oogen van Jehova? Zulke gedachten moesten bij het volk wakker worden, naarmate het meer met den Bijbel en de waarheden van het Evangelie bekend werd, en het zou waarlijk al te dwaas zijn te meenen, dat de Gereformeerde leeraars van die dagen, die meest allen streng Calvinistisch waren, deze gevoelens niet ook zouden hebben opgewekt en aangewakkerd, laat staan dan bestreden. Natuurlijk waren hunne predikingen minder thetisch dan wel polemisch van aard, en het kon niet anders, of de beeldenvereering moest daarin meermalen het aangevallen punt zijn. Was het wonder dat, waar zij wezen op de Oud-Testamentische voorbeelden, bij het volk al spoedig de gedachte moest opkomen: zouden wij dit niet kunnen en moeten navolgen? Ja, ik zou bijkans geneigd zijn verder te gaan en te beweeren, dat het gansch niet onmogelijk is, dat sommige Gereformeerde leeraars zelven tot het wegnemen van de beelden hebben aangespoord. Men heeft steeds getracht de schuld geheel van hen af te schuiven, omdat men te veel geneigd was de zaak als eene misdaad te beschonwen, niet ongelijk aan het bedrijf der wederdoopers in Duitschland; maar nog eens, kan er van schuld en misdaad in 't geheel sprake zijn?' Volgens de beginselen die de Gereformeerde leeraars voorstonden, was beeldenvereering, gelijk wij zagen, eenvoudig afgoderij, en het was dus hun plicht, wilden zij naar die beginselen handelen, zoo veel zij konden het hunne er toe bij te dragen, dat aan die afgoderij, op welke wijze dan ook, een einde kwam. Of de zaak wijs en verstandig was, is eene geheel andere quaestie. Evenwel het is zeer gemakkelijk voor ons, die drie honderd jaren verder zijn, lettende op de gevolgen die de beeldstorm gehad heeft, waaronder vooral niet de minste was de komst van ALVA met de zee van bloed en jammer, die zijn komst over het land bracht, te zeggen: zoo waren de gevolgen, dus was de beeldstorm eene dwaasheid en eene misdaad; de Gereformeerde leeraars waren Christenen, dus moeten wij hen van deze dwaasheid en van deze misdaad vrij pleiten. Wij wijzen deze onbillijkheid beslist af. Dikwijls wordt de getuigenis van FRANCISCUS JUNIUS aangehaald, om te betoogen dat de Calvinistische predikanten den beeldstorm niet gewild hebben, maar integendeel betreurden. Hij zegt in zijne

-----------

1. Vgl. ook MOTLEY I, page 460. "Art must foreve rweep over this bereavement; humanity must regret, that the reforming is thus always ready to degenerate into the destructive principle, but it is impossible to censure very severely the spirit which prompted the brutal, butnot ferocious deed."
2. 0. a. door Dr. BRUTEL DE LA RIVIERE, Leven van H, MODED, bl.50.

autobiographie: "In Juli diende ik te Gent, op verzoek der kerk van die plaats, tijdens de beeldstormers, zonder onze voorkennis en tegen onzen wensch, door roekeloozen of misschien door kwaadwilligen opgeruid, op de kerken en de beelden in de kerken aanvielen. Ik roep allen, die toen in den Raad van Vlaanderen zitting hadden, als getuigen op, om te verklaren met welke goede trouw ik en anderen uit ons midden, toen op last van den Raad onzen invloed op de beeldstormers hebben gebruikt," enz. Dat deze getulgenis bewijst, dat JUNIUS met eenigen zijner ambtgenooten tegen den beeldstorm waren, is natuurlijk waar, maar zij bewijst nog niets voor alle andere predikers, en JUNIUS was een buitengewoon man, die door zijne meerdere kennis, ook op politiek terrein (wij vinden hem immers in nauwe verbindtenis met de verbonden edelen), wellicht beter dan anderen zal hebben doorzien, welke de gevolgen zouden zijn van zulk een onberaden stap. 1. Het is ook zeer waarschijnlijk dat velen,

----------

1. Hoe MARNIX VAN ST. ALDEGONDE over den beeldstorm dacht, blijkt voldoende uit zijn geschrift "Van de Beelden, afgheworpen in de Nederlanden, in Augusto 1566." Het staat bij hem vast, "dat het volck daermede noyt ghedacht en heeft, de Overheyt te verachten, maer alleenelijck door eenen onbedwonghen ende vyerighen yver allen mensen te kennen te geven, hoe hertelyck dat hun leet was alle die afgoderye, die sy soo menighe jaren met groote lasteringhe ende verachtinghe desnaems Gods ghedreven hadden." Zij, die de beelden hadden afgeworpen, waren in de oogen van MARNIX dezelfden, "die om den name JESU CHRISTI bij de vyftich jaren 1anck een gheduerigh vervolgh gheleden hebben, ende haer liever ter doot begeven, dan dat sy hun selven door eenighe afgoderye sonden besmet hebben." PHILIPS VAN MARNIX VAN ST. ALDEGONDE, Godsd. en Kerkel. Geschriften, door Dr. J. J. van TOORENENBERGEN, I, bl. 29. Men vergelijke de inleiding op dat eerste deel, bl. VII-XX.

die vroeger in beginsel voor den beeldstorm waren, en in hunne predikatiën misschien niet onduidelijk het wenschelijke van het verwijderen der "afgoden" te kennen gaven, toch later, toen zij zagen op welke wijze het werk toeging, en zij voor de gevolgen begonnen te vreezen, er zich tegen verklaarden en het trachtten te stuiten. Dit is het ongelukkige bij zulke volksbewegingen, dat waar eenige bezadigde en welgezinde mannen op kalme wijze het een of ander op zich zelf goed werk zouden willen volbrengen, er zich dadelijk eene woeste menigte bij aansluit, die hunne goede voornemens op baldadige wijze belet en overdrijft, en de geheele zaak bederft. Zoo ging het ook zeker wel bij den beeldstorm. Indien de zuivering der kerken op kalme en waardige wijze had kunnen geschieden, zonder oproer en geweld, gewis ware dit allen predikers hoogst welkom geweest, en niemand hunner zou er aan gedacht hebben daarover een afkeurend oordeel uit te spreken, doch nu het op deze ruwe wijze ging, moesten zij zich er mede behelpen, terwijl zij dikwijls door hunne tegenwoordigheid stelen en ander geweld trachtten te keeren. Het blijft toch ook altijd hoogst merkwaardig, dat de woede van het volk uitsluitend tegen de beelden gericht bleef, en het verlies van niet, een menschenleven daarbij te betreuren viel. 1. Hiertoe hebben voorzeker ook de predikers krachtig het hunne bijgedragen.

------------------

1. "The rage was directed exclusively against stocks and stones. Not a man was wounded, not a woman outraged. Prisoners indeed, who had been languishing hopelessly in dungeons were liberated. A monk who had been in the prison of the Barefoot monastery, for twelve years, recovered his freedom. Art was trampled in the dust, but humanity deplored no victims." MOTLEY, the Rise of the Dutch Republic, 1, page 471.

Na deze korte uitweiding keeren wij tot VAN DER HEYDEN terug. Hoe dacht deze over den beeldstorm? Dat TE WATER 1. zich vergist, wanneer hij zegt dat VAN DER HEYDEN zich uit Axel verwijderde, omdat eenigen begonnen de beelden te breken, is ons alreeds zonneklaar gebleken, bij de beschouwing van hetgeen hij aldaar en in Hulst heeft gedaan. Reeds het gezelschap van beeldstormers, waarmede hij van Axel naar Hulst trok, bewijst dat hij althans onder de Gereformeerde predikers niet tegen het wegnemen van de beelden was; en dat hij, om met den pastoor van Hulst te spreken, ook in die stad de beeldbreking "beleid" heeft, is duidelijk genoeg. 2. Men denke slechts aan het bovenvermelde papier met de namen der mannen, aangewezen om de beelden weg te nemen, dat hij aan de overheid van Hulst aanbood; aan zijne tegenwoordigheid in de kerk, en aan zijn verzoek om de sleutels dier kerk, ten einde hetgeen er overig was aan beelden nog te doen verwijderen. Het is ook nog al opmerkelijk dat én te Axel en te Hulst beide, de beeldbreking aanstonds gevolgd is op de predikatiën van VAN DER HEYDEN, zoodat wij billijkerwijze mogen veronderstellen, dat hij in zijne sermoenen op zijn zachtst genomen de beelden niet in bescherming genomen heeft. Dat hij hierom niet moet veroordeeld worden, heb ik zoo even getracht aan te toonen; in ieder geval is het ongeoorloofd de geschiedenis te verdraaien en hem tot een bestrijder van den beeldstorm te maken.

----------------

Boekzaal 1754, bl. 448. Vgl. VAN VLOTEN, Losse aanteekeningen, bl. 309.

Wat nu echter de vraag betreft, of hij bepaald met het doel, de kerken van beelden te zuiveren, te Axel en te Hulst gekomen zij, dit zou ik niet dadelijk Dr. VAN VLOTEN, met de zelfde zekerheid als deze doet, durven nazeggen. 1. Ik wensch daarbij te doen opmerken, dat zijne reis naar die plaatsen reeds was bepaald, eer de beeldstorm te Antwerpen uitbrak, blijkens den brief van HANSKEN, den zakkedrager, boven vermeld, en dat toen de zaak al beraamd was, is om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk; daartoe was de daad te zeer iets plotselings. Het is mogelijk dat toen de beeldstorm eenmaal uitgebarsten was, hem de gelegenheid schoon voorkwam, om ook in de plaatsen waar hij voornemens was geweest het Evangelie te komen brengen, nu tevens de kerken van hare.afgoden te zuiveren, maar in zijn oorspronkelijk plan lag het daarom nog niet. Na zijne reis door Vlaanderen te hebben volbracht, keerde VAN DER HEYDEN naar Antwerpen terug. Daar had men sedert den beeldstorm niet stil gezeten. De Prins was den 26sten Augustus in de stad gekomen en trachtte nu door wijze schikkingen, die naar de mee ning der Landvoogdes echter veel te toegevend voor de Protestanten waren, de rust te herstellen. De predikanten hadden om het gebruik van eenige kerken gevraagd; dit werd hun niet toegestaan, maar wel werden hun eenige plaatsen aangewezen buiten de stad, waar zij hunne godsdienstoefeningen mochten plegen, nl. in den raam-

-----------

"Zeker was VAN DER HEYDEN, in Axel beide, en Hulst, niet minder omde zuivering der kerk van de afgoden, dan om er te preeken, gekomen " Losse aanteekeningen, enz. bl. 309.

hof van PAULUS VAN GEMERT, achter het klooster op de Paardenmarkt, in den raamhof van den heer VAN LIEDEKERKE op den Wapper, en op den bleekhof in de Gasthuisbeemden, bij de Schuttershoven. 1. Spoedig daarop deden de Gereformeerden nu ook uit de hun toegewezen plaatsen eene keus, en begonnen er hunne kerken te bonwen. De Waalsche gemeente onder JEAN TAFFIN, 2 had een stuk gronds gekocht op den Wapper en legde den 24sten September het fondament voor eene kerk, die "de Ronde" genoemd werd, "want dese kercke was heel ront, gelijk den tempel van SALOMON." 3 De Nederlandsche Gereformeerden bouwden eene kerk op de Mollekensraam in de Gasthuisbeemden, waarvan door den predikant IJSBRAND BALCK of TRABIUS de eerste steen gelegd werd. Deze was langwerpig van vorm, en werd in onderscheiding van de andere, de "Lange kerk" genoemd. Terwijl men aan den bonw dezer kerken bezig was, kwam er een bevel der Regeering, om het werk te staken, doch de ijver werd er slechts door verdubbeld, zoodat men zelfs onder de gravers en de kalk- en steendragers, deftige burgers en aanzienlijke vrouwen zag, terwijl velen, ook uit andere plaatsen, haar geld en juweelen er aan ten offer brachten. Nadat deze beide kerken voltooid waren, bemerkte men

-----------------
1. A. UYTTENHOOVEN, Geschiedenis der Hervormde Eerk te Antwerpen bl. 221. vgg.
2. Zie over dezen voortreffelijken leeraar, Dr. C. SEPP, Drie evangeliedienaren uit den tijd der hervorming.
3. Antwerpsch Chronijkje bl. 96. Vgl. ook MERTENS en TORFS Geschiedenis van Antwerpen IV. bl. 351 vgg. en CH. RAHLENBECK, l'Inquisition et la Reforme en Belgique, p. 98.

dat men nog veel plaats te kort kwam, zóó groot was de toevloed der hoorders. Eene derde kerk te bouwen was niet geraden; men was bevreesd, nogmaals onaangenaamheden met de Regeering te krijgen, die dan misschien hare vroegere goedgunstige beschikkingen zou kunnen intrekken. Daarom vergenoegde men zich een koestal, die in vroegere jaren reeds herhaalde malen tot godsdienstige bijeenkomsten was gebruikt geweest, wederom tot dat doel in te richten. Zij kreeg den naam van "de oude Koekerk." In drie maanden waren de kerken gereed en op Maandag na Kerstmis werd in "de Lange" door IJSBRAND BALCK de eerste predikatie gedaan en het nachtmaal onder beide gedaanten uitgereikt. In deze en in de Koekerk heeft dus waarschijnlijk ook VAN DER HEYDEN gepredikt. De verhouding tusschen Lutherschen 1. en Gereformeerden was toen reeds niet vriendschappelijk, en later werd ze al meer en meer gespannen, totdat zij in Maart van het volgend jaar gewapend tegenover elkander stonden. Eene vereeniging dezer beide gezindten werd door velen ernstig begeerd, o. a. door den Prins en Graaf LODEWIJK VAN NASSAU, die zeer gaarne gezien hadden dat de Calvinisten de Augsburgsche confessie aannamen, op welke voorwaarde alleen men hulp van de Duitsche vorsten

---------------

1. De Lutherschen, die minder in aantal waren dan de Calvinisten, hadden twee kerken, de eene in 't OudhaantJe en de andere op de Paardenmarkt. In de eerste predikte FRANS VAN 'T KIEL en in de laatste hebben zij, gelijk het Antwerpseh Chronijkje ons verhaalt, "wel dertien lijcken ingegraven van hare quade secte."

zou kunnen verkrijgen. Doch deze vereeniging kwam niet tot stand, en wel voornamelijk door het verschil aangsande het Avondmaal, het groote "schibboleth" dier dagen. Spoedig zou VAN DER HEYDEN zelf in dien strijd gewikkeld worden. In Amsterdam had zich langzamerhand, vooral door de onvermoeide zorg van de predikanten PETER GABRIEL en JAN ARENTSZOON, eene Gereformeerde gemeente gevormd, en zij hadden het zoover weten te brengen, dat hun door de regeering eene kerk (de tegenwoordige Oude Kerk) werd afgestaan, om hunne godsdienstoefeningen aldaar te houden. Dit behaagde den Lutherschen (waaronder zich vele rijke en aanzienlijke kooplieden bevonden) niet, en om den verderen voortgang der Gereformeerde religie te stuiten, zochten zij overal te verspreiden, dat de Calvinisten in het leerstuk des Avondmaals niet zuiver waren, daar hun gevoelen daaromtrent streed met de Augsburgsche confessie. Nam men die aan, zoo kon men op de hulp der Duitsche vorsten rekenen, terwijl deze in het tegenovergestelde geval, verbeurd was.1. Om den twist, waarin zich ook reeds de Regeering gemengd had, niet heviger te doen worden, besloten de Gereformeerden door zachtheid en inschikkelijkheid daaraan een einde te maken. De predikant JAN ARENT8ZOON las op een Zondag-morgen van den kansel het 10de en 13de Art. der

1. Men vergelijke wat Graaf JAN VAN NASSAU in October 1566 aan zijn broeder LODEWI]K sehreef: "Demnacb die Teutsche Fürster zum mehrertheil deme Calvinismo sonderlich feindt und zuwider, auch derohalben diesser gantzen sachen gehessig seindt, man werde sich uff iren beystandt oder hülff im fall der noth wenig zu verlassen haben " Groen van Prinsterer, Archives de la maison d'Orange, II, page 351. Augsburgsche confessie, (die over het Avondmaal handelen) aan de verzamelde gemeente voor, en gaf daarbij de verzekering, dat de Gereformeerden met het daarin geleerde ten volle instemden. Om den vrede te bewaren was het geschied, maar algemeen werd de zaak afgekeurd, en de Antwerpsche gemeente, waar, gelijk wij zagen de verhouding tusschen Calvinisten en Lutherschen juist in dien tijd zeer gespannen was, zag in het te Amsterdam voorgevallene hoog verraad tegen het Gereformeerde beginsel, en besloot de zustergemeente in het Noorden tot herroepen dier ondoordachte woorden te noodzaken. Tot dat einde werd GASPAR VAN DER HEYDEN met twee ouderlingen in November 1566 naar Amsterdam gezonden. BRANDT, die ons het verhaal van deze zending bewaard heeft, 1. beschuldigt daarin VAN DER HEYDEN van groote hardheid jegens de Amsterdamsche gemeente, zoo zelfs, dat hij haar met excommunicatie dreigde, indien zij haar gevoelen omtrent het Avondmaal niet herroepen wilde. "Ten slotte" aldus eindigt zijn verhaal, "werd goedgevonden, dat die van Amsterdam hunne verantwoording in besloote brieven, aan de gemeente tot Antwerpen, door deze gemaghtigden souden oversenden, en daerbij bleef 't: want in 't korte viel de Hartogh van ALBA hun beide met een Spaensche excommunicatie op 't lijf. Toen kreegh elk soo veel met sich selven te doen, dat de lust om broederen te quellen, wel deegelijk verging." W. TE WATER 2. vat dadelijk vuur bij deze woorden

---------------

1. BRANDT. Historie der Reformatie, I, bl. 387. Hij haalt daarbij aan de Memorien van LAURENS REAEL, een der aanzienlijkste ingezetenen van Amsterdam, ten tijde dat die gebeurtenis plaats greep.
2. Lofvermeldent Levensverhaal enz. Boekzaal I754. bl. 449 volg van BRANDT, dien hij beschuldigt, van uit voorliefde voor de Remonstranten, eenen Gereformeerden leeraar te willen zwart maken en belasteren, 1. en hij tracht VAN

--------

1. Vergelijk wat hij schrijft in het bovenvermeld werk, bl. 453. "Dewijl nu BRANDT de eenige is van alle de schrijvers, die aan GASPAR VAN DER HEYDEN, hardigheit, hevigheit en heerschzugt toeschrijven, is het te denken dat hij daartoe vervallen is door zijne gewone wraakzucht om alle, die omtrent de Remonstranten niet verdraagzaam zijn geweest, maar van welken zij achten beledigt te zijn, 't zij door hen zelven, 't zij door hunne nabestaanden en nakomelingen, wel vinnig door te strijken, en bij alle gelegenheden ten toon te stellen als menschen van ene harde, scherpe en moeilijke gesteltenisse." "Nu is 't bekent, dat KASPAR VAN DER HEYDEN, Predikant te Amsterdam en zoon van onzen KASPAR VAN DER HEYDEN, de jeugdige drift van den Remonstrantschen Hoogleeraar SIMON EPISCOPIUS heeft beteugelt, toen hij als getuige met het kindt zijns broeders ten doop komende, dien Predikant in de Kerke tegensprak en hem opentlijk voor de gehele gemeente heeft vermaand en bestraft; 't welk den Remonstranten, die het verkeerdelijk voor ene belediginge hielden zo bitter smerte, dat zij dien braven Leeraar deswegens in gedrukte schriften, bij zijn leven en na zijnen doot dikwerf hebben gelastert. Dog 's mans beroemde zoon ABRAHAM VAN DER HEYDEN heeft zijns vaders behandelinge omtrent EPISCOPIUS met vele nadruklijke bewijzen als rechtmatig verdedigt, in de voorrede van zijn onwederleglijk boek de Causa Dei." "Schoon nu BRANDT waarschijnlijk daarvan niet onkundig zal zijn geweest, heeft hij egter, volgens de regels zijner verdraagzaamheit niet willen nalaten den Amsteldamschen Predikant VAN DER HEYDEN, voor den gewaanden hoon aan EPISCOPIUS gedaan, en den Leidtschen hoogleeraar VAN DER HEYDEN, voor zijne, tot nog toe onbeantwoorde wederlegginge van EPISCOPIUS dwalingen te betalen, door hunnen lofwaardigen Vader en Grootvader, zo lang na zijnen doot te hoonen en te beschimpen en dus den weg te banen tot verdediging van EPISCOPIUS en der Remonstranten, tot welk einde zijne gehele Historie der Reformatie enkel geschreven en geschikt is."

DER HEYDEN geheel en al van dezen blaam van hardheid en onverdraagzaamheid te zuiveren, door er op te wijzen dat niemand vóór BRANDT hem daarvan ooit heeft beschuldigd. Wat betreft de bedreiging van excommunicatie, deze acht hij daarom onmogelijk, omdat VAN DER HEYDEN zelf, als voorzitter der synode te Emden (gelijk wij later zullen zien), het eerste artikel dier synode heeft helpen ontwerpen en bekrachtigen, hetwelk aldus luidt: "Gheen kercke sal over een ander kercke, gheen dienaer des woorts, gheen ouderling noch diakon, sal de een ouer de ander heerschappije voeren, maer een yegelyck sal hem voeralle suspicien ende aenlokkinghe om te heerschappijen wachten." Het is waar, dat de geest van dit artikel zich moeilijk met de bedreiging tot excommunicatie rijmen laat, doch afgezien nu nog hiervan, dat de synode te Emden eerst in 1571, dus vijf jaren na het te Amsterdam voorgevallene, gehouden is, blijft het waar dat de Amsterdamsche gemeente, door zich bij de Luthersche leer aan te sluiten zich metterdaad van de Gereformeerden afscheidde, en het kan ons dan ook niet verwonderen, dat de Antwerpsche Calvinisten, die de Lutherschen wantrouwden en ''voor hunnen aanwas zeer bezorgd waren, alle krachten aanwendden om dien overal te stuiten, en bij de minste inschikkelijkheid op eenig punt der leer,- de ergste gevolgen schenen te vreezen. Men vergete niet, dat toen de confessiën zich eerst vestigden, eene strikte handhaving van de uitgesproken beginselen een natuurlijk vereischte was. De "rekkelijkheid" VAN BRANDT kon toen geen dienst doen, en wat VAN DER HEYDEN, betreft, of schoon hij ons overal te gemoet treedt als een zacht, vredelievend man, wien allerminst de hevige aard van een MODED of DATHEEN eigen was, toch was ook hij een ijveraar voor hetgeen hem naar Gods Woord voorkwam de zuivere leer te zijn, en schroomde hij niet hen, die naar zijne meening dwaalden, dikwijls op vrij gevoelige wijze die dwaling te verwijten. Het Rijk van Christus ging hem boven alles ter harte, en waar dat, volgens zijn oordeel, gevaar liep, streed hij er voor met al de kracht die in hem was. Het is dus zeer wel mogelijk, dat hij zich te Amsterdam eenige woorden heeft laten ontvallen, die van hardheid niet vrij te pleiten waren, en waarvan wij de verdediging niet op ons zouden willen nemen, maar tot zijne verontschuldiging bedenke men, wat hij zelf vóór weinige jaren in Frankfort van de Lutherschen had moeten verduren, en dat het dus geen wonder was zoo hij hunne heerschappij vreesde. 1.

----------------

1. Als bewijs, dat GASPAR VAN DER HEYDEN, althans tien jaar later, niet voor excommunicatie was, kan dienen wat wij in een brief leze dien hij den l0den December 1576 aan ziJnen vriend ABNOLDUS CORNELLI, predikant te Delft, sehreef. (Bijlagen B, No. 16) Deze had hem bericht gezonden aangaande den treurigen toestand der kerk te Emden, die in die dagen zeer door libertijnen werd beroerd. GASPAR VAN DER HEYDEN antwoordt hem daarop, en schrijft: "literas tuas accepi, ac tristissimum statum ecclesiae Embdanae ex illis intellexi, quem ego ex animo deploro. Quod vero ad remedium attinet, quomodo hoc malum sit sanandum, non video, nisi ut ad Deum nostris precibus curramus, ut dignetur huic scandalo mederi, aliqua via nobis incognita. Apud Emdanos resultos esse libertinos, plus satis scio. Ego optarem perfractus non esse excomunicatus, nam inde magis, magisque obdurantur, neque Anglicanae ecclesiae in turbis illorum, excommunicatione multum perfecerunt; sed quandoquidem nos latent causae et circumstantiae Emdanorum, malo hac in parte tacere, quam aliquid pronuntiare." En verder: Nog vóór het einde van het jaar 1566 keerde VAN DER HEYDEN in Antwerpen terug, en bleef er tot in April van het volgend jaar, ten minste wij hebben geene berichten, dat hij zich in dien tusschentijd naar elders zou hebben begeven. En mocht, als zijnde een inboorling van het land, de gemeente te Antwerpen dienen, volgens een der artikelen van het verdrag, den 2den September tusschen de Calvinisten en den Prins VAN ORANJE gesloten, waarbij bepaald werd, dat alle vreemdelingen buitengesloten zouden worden, zoodat b.v. FRANCISCUS JUNIUS, toen hij, na in den zomer van 1566 te Antwerpen gearbeid te hebben, aldaar in het najaar van een korte reis terugheerde, den predikdienst in die stad niet meer mocht waarnemen, omdat hij Franschman van geboorte was. ORANJE was in October 1566 van Antwerpen vertrokken, en in den aanvang van Februari van het volgend jaar derwaarts teruggekeerd. De Graaf VAN HOOGSTRATEN had gedurende zijne afwezigheid het bewind in handen

---------------

"Ego desiderarem in D. POLYANDRO majorem modestiam et discretionem, nam Emdani jamdiu proclives fuerunt ad libertinorum errores. Ille vero e contrario durior est, quam illi possunt ferre, cum omni modestia ac prudentia nobis est ambulandum apud tales, sed non audeo Pol. seribere neque admonere, eo, quod uti scribis, plus acquo suspicax sit," ete.
Men ziet, dat dit niet getuigt van groote heftigheid, en dat de eigen woorden van
VAN DER HEYDEN ons bevestigen in het vermoeden, dat het verhaal van BRANDT wel wat overdreven zal zijn. Buitendien eene gemeente kon wel een ouderling of diaken uit haar midden excommuniceeren, maar dat dit door eene zustergemeente geschiedde, is eenvoudig ondenkbaar.

gehad en de minste pogingen tot oproer, van welke zijde zij ook kwamen, met groote gestrengheid gestraft. Zoo had hij bij gelegenheid dat er een oploop in de cathedraal was ontstaan, waar het gepeupel den Roomschen eeredienst bespotte, en beproefde te vernielen wat er nog aan beelden en sieraden was overgebleven, in eigen persoon drie der belhamels gedood, en met zijn gevolg de overigen allen doen gevangen nemen. Na den terugkeer van den Prins, oordeelde deze het geraden, dat HOOGSTRATEN ZOU blijven, en met hem het tijdelijk bewind over de stad deelen. Zoo gingen de zaken voort, doch de toestand der Gereformeerden binnen Antwerpen verbeterde niet. Reeds in December had de Lanivoogdes aan de Regeering ten sterkste aangeraden, de predikatiën der Protestanten te doen staken, om de ongenade des Konings te voorkomen, en later herhaalde zij gedurig dezen eisch, doch men begreep, dat men het verdrag, met de Calvinisten en Lutherschen gesloten, niet op eens kon verbreken, daar hun aanhang te machtig was. Den 12den Februari werden er door de Regeering twee nieuwe artikelen ontworpen, waarbij den Protestanten beloofd werd, dat, indien zij hunne godsdienstoefeningen staakten, niemand van hen die bleven, zoude worden gemoeid of vervolgd, terwij1 men hun die vertrekken wilden, den tijd van drie maanden toestond, om met vrouw en kinderen en have zich naar elders te begeven. 2. De Prins begreep wel, dat de inhoud dezer artikelen aan de Landvoogdes niet zoude behagen, doch hij wenschte

-----------

1. .MOTLEY, tbe Rise of the Dutch Republic, II, page 49.
2. UYTTENHOOVEN a. w. b1. 265.

---------------------

te onderhandelen en tijd te winnen. Hij had goed gezien; den 20sten Februari werden door haar eenige andere artikelen aan de Regeering voorgeslagen, waarin o.a. voorkwam, dat alle predikatiën, godsdienstoefeningen, consistoriën, enz. moesten ophouden, de predikanten terstond onder vrij geleide vertrekken, de kerken worden afgebroken, enz., waarbij dan ten slotte beloofd werd, dat niemand om den godsdienst vervolgd zou worden, tot tijd en wijle de Koning daarin mocht hebben voorzien. Deze laatste clausule gaf weinig troost, want men kende den Koning en men wist wat zijne genade en groote toegevendheid, waarop hij zich altijd beroemde, te beteekenen hadden. Deze artikelen werden, gelijk men zich kan voorstellen, niet gunstig door de Protestanten opgenomen. Het was ook een schoone belooning voor hunne gematigdheid, hunne gehoorzaamheid, hunne getrouwheid aan den Koning. Was het wonder, dat het eindelijk tot een opstand kwam? Den 13den Maart werd de slag bij Astruweel geleverd, waarbij JAN VAN MARNIX, heer van Tholouse, sneuvelde, en de drie volgende dagen had het bekende oproer te Antwerpen plaats, waarbij Roomschen, Lutherschen en Gereformeerden gewapend tegenover elkander stonden, en dat op een verschrikkelijk bloedbad had kunnen uitloopen, indien de Prins het niet door zijn moed en vastberadenheid had gestild. 1.
De Landvoogies weigerde echter hare goedkeuring te schenken aan het verdrag, dat de Prins VAN ORANJE met

1. Men vergelijkke MOTLEY II, page 51, Sqq. MERTENS en TORFS, Gesch. van Antwerpen, IV, bl. 374, vgg.

de Calvinisten gesloten had, en waarbij hij hun o.a. ook vrje godsdienstoefening beloofde. Zij vond het "afgryselyck tegen Godt en de conincklycke Majesteyt," en meldde aan de afgevaardigden uit Antwerpen, dat het haar plan was vreemd krijgsvolk in de stad te leggen, als het eenige middel om de rust en de orde te handhaven. Hiervan schijnt men te Antwerpen de lucht gekregen te hebben; althans het volk begon te morren en zeide: "Hadden wij eerst de Papen doot gesmeten, het waer al gedaen geweest; maer wij hopen daertoe noch te geraecken, ende sullen de Papisten wel verleeren, dat sij ons gedaen hebben in de Meir." 1. Het gevolg hiervan was, dat honderden van de rijkste burgers en kooplieden de stad verlieten, om elders eene schuilplaats te zoeken. Dit vluchten hield verscheidene dagen aan; de meesten begaven zich naar Engeland. De Magistraat vroeg nog dringend aan de Landvoogdes, geen gevolg te willen geven aan haar voornemen, om vreemd krijgsvolk in de stad te zenden, doch het mocht niet baten; zij antwoordde, dat zij vastelijk daartoe besloten had. Op Paaschdag, 30 Maart, werd er eene plechtige mis gevierd in de cathedraal, waar de Graaf VAN HOOGSTRATEN met den Magistraat tegenwoordig was, doch de Prins liet zich daar niet vinden, hetgeen velen verwonderde en de Roomschen zeer ergerde. Op dienzelfden Paaschdag hielden de Gereformeerden hunne laatste godsdienstoefening, maar

1. "De Meir," een langwerpig plein te Antwerpen, waar zich de Gereformeerden gelegerd hadden gedurende het oproer van den 15den Maart. Vgl. MERTENS en TORFS IV, bl. 395.

het Avondmaal deelden zij er niet bij uit, gelijk vroeger de gewoonte was geweest. "Men kan denken," schrijft UYTTENHOOVEN, 1. 'hoe droevig deze laatste bijeenkomst geweest zij, en met hoeveel ernst men zich zelven, de zijnen en de algemeene zaak, Gode en zijner genade zal hebben aanbevolen." Den l0dend April werden de predikanten der Gereformeerde en Luthersche gemeen ten door den Magistraat ontboden, die hun aanzegde dat het noodig was tot behoud der stad en om de ongenade des Konings te ontgaan, dat de predikatiën ophielden, en dat zij zelven met brieven van vrij geleide, die hun zouden verstrekt worden, vertrokken. Daar tegen was niet veel in te brengen; de naderingvan het vreemde krijgsvolk maakte het blijven in de stad hoogst gevaarlijk. Toch lezen wij dat SYLVANUS voor den Magistraat eene schoone rede hield, waarvan de herinnering bewaard is gebleven in zijn "afscheid." 2. Den 11den April vertrok de Prins uit Antwerpen en begaf zich naar Breda, vanwaar hij spoedig daarop naar Duitschland toog. De stroom der emigranten werd, toen hij het voorbeeld gegeven had, steeds sterker, en ook de predikanten begrepen dat zij niet langer moesten blijven. Terstond na hun vertrek werden de kerken

-----------

1. Gesch. der Herv. kerk te Antwerpen, bl. 306.
2. Nederl. Gesch. Zangen I, bl. 315.
RAHLENBECK, l'Inq. et la Réf. en Belgique, p. 132, zegt: "le l0 avril les pasteurs des deux confessions d'Augsbourg et de Genève s'étaient présentés en corps a l'Hôtel de Ville, moins pour faire leurs adieux au magistrat, que pour lui adresser des reproches merités. Il y eut sans doute plusieurs des ministres bannis, qui prirent la parole a cette occasion."

waarin zij hadden gepredikt, verzegeld, en tijdens het verblijf der Landvoogdes in Antwerpen, dat den 28sten April aanving, werden zij met den grond gelijk gemaakt, terwijl men het als eene bizondere aardigheid beschouwde, van de balken dier afgebroken kerken galgen te maken, waaraan de ketters werden opgehangen. 1.
Zoo was aan de vrijheid van het Evangelie in Antwerpen met geweld een einde gemaakt, en eerst tien jaren later zou zij worden hersteld. Dan, wanneer de stad hare poorten weder opent voor de predikanten die zij nu verjaagt, 2, zullen wij onder hen ook
GASPAR VAN DER HEYDEN zien terugkeeren. Een drietal wegen stond den vluchtelingen open: Engeland, waar sedert de troonsbeklimming van ELIZABETH de gemeenten weer langzamerhand zich vestigden en in

--------------

l. MOTLEY II, page 81. "The new churches were levelled to the ground and out of their timbers gallows were constructed. It was thought an ingenious pleasantry to hang the Reformers upon the beams, under which they had hoped to worship God. Te vergeefs hadden de vleeschhouwers van Borgerhout, die gaarne van de Ronde Kerk eene vleeschhal gemaakt hadden, voor dit gebouw eene groote som gelds geboden; de Regeering weigerde dit aanbod aan te nemen, daar zij besloten had alle sporen der Reformatie te Antwerpen uit te wisschen. Later bepaalde ALVA dat er eene bibliotheek zou gesticht worden op de plek, waar de Walen hunne "preches reprouves" hadden gehouden. RAHELNBECK, page 134.
2. In de "Declaration des noms et surnoms de ceulx d'Anvers, qui ont esté banniz ou executez, dressée hors les copies authenticques reposans en la chambre des comptes du Roy nostre Sire, a Bruxelles," 1566-1569, komt "
GASPARD VAN DER HEYDEN" ook voor onder hen, "qui ont esté banniz." RAHLENBE:CK, page 258.

bloei toenamen; Emden, waarheen de meesten zich begaven, zoodat hun aantal in het jaar 1567 op 6000 wordt begroot, 1. en de Paltz, waar vooral de Gereformeerde ballingen op de hulp van FREDERIK III konden rekenen. Het kan ons niet verwonderen, dat VAN DER HEYDEN zich het meest tot zijn vroeger toevluchtsoord aangetrokken gevoelde en zich terstond weder naar Frankenthal begaf, alwaar zijne gemeente hem met vreugde ontving, en hij zijne gedurende een jaar afgebroken werkzaambeid weder kon aanvangen. TE WATER vermeldt dat hij in plaats van DATHEEN, die naar Heidelberg vertrok, wederom in zijne oude standplaats te Frankenthal werd beroepen. 2. Dit is niet geheel juist, want in Juni 1569 vinden wij VAN DER HEYDEN en DATHEEN nog beiden als dienaren te Frankenthal. Dit blijkt uit hunne gezamenlijke onderteekening van een brief, uit die plaats aan de gemeente van Emden geschreven, en in de werken der Marnix-Vereeniging opgenomen. 3. Een Emdensch burger had 50 £ uit Engeland ontvangen voor de armen te Frankenthal. De diaconie te Emden vroeg nu verlof om die som voor hare eigene vreemdelingen te gebruiken, en de gemeente te Frankenthal stond haar het geld gewillig af, of schoon zij zelve ook verre van rijk was, gelijk uit den brief blijkt. Frankenthal lag denkelijk aan den heirweg, 4.

----------------

1. MEINERS, Oost-Vriesl. Kerkgesch I, bl. 414.
2. TE WATEB, Ref. van Zeeland, bl. 399.
3. Werken der Marnix-Ver. III. II I. (Brieven uit ondersch. Kerkel. Archieven.) bl. 8.
4. Gelijk uit den brief op te maken is, waar wij lezen: "dewijlewy op d'openbare strate geseten syn, daer alle de werelt passeert, dien wy gern wouden helpen, wen wyt vermochten".

zoodat men veel last had van al de voorbijtrekkenden, die steeds weder uit de schamele beurs der gemeente moesten ondersteund worden. Zoo hadden zij nu eene "groote plage" gehad, niet alleen "doer die crychslieden, die wt Franckryk den Prince toequamen ende hier doer reysden, maer oock ende insonderheyt doer d'afreysen ende verscheyden desselven legers wt Franckryck, daer vele eerbare ende godsalige lieden in sulcker armoede ende cranckh. syn afgekomen, dat wij sulx in cleyne brieven niet souden connen verhalen, sonder alle andere elendigen, die ons van desen overcomen sijn, ende daervan wij noch niet gansch ontslagen syn, maer hebbense geholpen ende begerent noch te doene, so lange als wy connen. Wat ons aber daer mit opgaet (beneven onse gewoonlycke huysarmen, crancken, etc.) mogen de broederen nadencken, insonderh. alsmen ansiet, wat oncosten onse gemeynte (die cleyn int getal der personen is) gehadt heeft int bouwen der huysen voer den armen." Niettegenstaande dit alles, wilde de gemeente het geld wel aan Emden afstaan, doch wellicht zou zij het later terugeischen, indien de nood te hoog klom. 1. Uit dezen zelfden brief schijnt ook te blijken dat GASPAR VAN DER HEYDEN kort te voren naar Emden was geweest, waartoe is onbekend; althans in den aan-

------------
1. "Tot dat wy doer hoogeren noot gedrongen werden v. 1. dieselve weder te heysschen, doer denselven onsen 1. b. WILLEM DE VISSCHER, doer weleken sy v. 1. nv wtgereyckt sijn." In October 1571 schijnen zij het geld terug gekregen te hebben. Dit zou men kunnen opmaken uit hetgeen wij in een brief van
VAN DER HEYDEN lezen: (Bijlage B.N°.I) "Ick versta hier, dat GILLES DE VISSCHER last heeft, om v. 1. te betalen de 50 f., daerom hope ick, dat ghyt geldt ontf. sult hebben."

vang lezen wij: "U L. schrijven is ons na de Franckf. misse toecomen, doer onsen b. CASPARUM HEYDANUM". Toen DATHENUS in 1569 of '70 naar Heidelberg vertrok, alwaar hij tot hofprediker van den Paltsgraaf JOHAN CASIMIR was aangesteld, 1, bleef VAN DER HEYDEN alleen over als predikant te Frankenthal, totdat hij in ARNOLDUS CORNELII eenen ambtgenoot ontving. Wanneer dit precies geschiedde, is niet met volkomen zekerheid bekend; alleen weten wij uit een brief van VAN DER HEYDEN, dat CORNEILII in October 1571 tijdens de Synode te Emden, reeds in Frankenthal was. 2 Het adres van dien brief toch luidt: "Den eersamen mannen, ARNOLDO CRUSIO, dienaer der gemeynten" enz. 3. Van de werkzaamheid van G. VAN DER HEYDEN te Frankenthal, gedurende dit zijn tweede verblijf aldaar, is ons slechts weinig bekend. Wij kunnen ons voorstellen, dat hij met ijver zijnen dikwijls moeilijken dienst heeft waargenomen, en de belangen zijner gemeente getrouw heeft behartigd.

----------------

1. J. F. HAUTZ, Geschichte der Universität Heidelberg, II. s. 83.
2. Bijlage B. N°. 1.
3. ARNOLDUS CRUSIUS en ARNOLDUS CORNELII, zijn een persoon. Meermalen zijn zij met elkander verward en dikwijls ook wordt COBNELII "VAN DER LINDEN" genoemd. Met welk recht, is niet bekend.
VAN DER HEYDEN noemt hem in zijne brieven steeds ''CRUSIUS' 'of ''CRUSIUS CORNELII of alleen "CORNELII."
Zie verder over hem GLASIUS, Godgeleerd Nederland, in voce "VAN DER LINDEN", die zich echter vergist, waar hij zegt dat CORNELII "in 1574 te Frankenthal beroepen werd en in datzelfde jaar weder naar Delft vertrok." Gelijk ik reeds opmerkte, was hij alreeds in 1571 te Frankenthal werkzaam, en in 1573 vertrok hij van daar.

Het is gedurende dit tweede verblijf van GASPAR VAN DER HEYDEN te Frankenthal, dat we voor het eerst zijnen naam verbonden zien met den beroemden naam van PHILIPS VAN MARNIX, van St. Aldegonde. Den 21 Maart 1570 toch onderteekenden zij te zamen eenen rondgaanden brief, gericht aan de verstrooide gemeenten der vluchtelingen in Engeland en Duitschland. MARNIX woonde in 1570 te Heidelberg en het is niet onwaarschijnlijk, dat VAN DER HEYDEN hem aldaar heeft leeren kennen en vereeren. De vriendschap van deze beide mannen wien één zelfde doel, de uitbreiding van CHRISTUS' Rijk, steeds boven alles ter harte ging, heeft geduurd tot de dood hen scheidde, en later zullen wij nog meermalen in de gelegenheid zijn, daarvan de blijken op te merken. Eenen MARNIX tot vriend te hebben, strekt tot niet geringe aanbeveling en doet VAN DER HEYDEN te meer in onze achting rijzen.
Het opschrift van den brief luidt: ~ "Aen de Eerbare ende Godsalige mannen, de Dienaren ende Ouderlingen der Nederduytsche gemeynten tot Londen, Zandwijck, Nordwijck, etc. (Emden etc.)" en de onderteekeningen: I 'PHILIPS VAN MARNIX, (toegenaemt VAN MONT SINT ALDEGONDE, uyt naeme ende bevel der Nederlandsche broederen te Heydelberch," en: "CASPAR
VAN DER HEYDEN, Kerckendiener te Franckenthal ende in den naeme der andere broederen aldaer etc." Ofschoon de brief blijkbaar door MARNIX is opgesteld,

---------

I. De brief is te vinden bij Dr. J. J. VAN TOORENBERGEN, PHILIPS VAN MARNIX van St. Aldegonde, Godedienstige en Kerkelijke Geschriften, Aanhangsel, hl. 3-38.

zoo getuigt toch de mede-onderteekening van VAN DER HEYDEN dat ook hem ernstig de daarin behandelde zaken ter harte gingen, en dat hij met den inhoud instemde. Wanneer wij dezen nagaan, zoo blikt ons dat de schrijvers drie zaken op het oog hadden, waarin zij verbetering wilden brengen, en die zij hier achtereen volgens behandelen, nl. de opleiding van predikanten, de correspondentie der verstrooide gemeenten, en de ver zorging van reizende geloofsgenooten. Na in het kort aangewezen te hebben, dat er geen ander middel is, om "het rijcke des Heeren bloeijende ende machtich" te maken, dan de dienst des Woords, en dat die dienst geen voortgang kan hebben, dan door de "menichte der goede ende bequame dienaren des Woorts" vermanen de schrijvers alle Christenen om toch ijverig tot de uitbreiding van dat Rijk naar hun vermogen mede te werken, daar "Godessegen in alle mildicheyt gestrecket sal werden over de genen die den nootiruft der Kercke CHRISTI mildelick te hulpe komen. Daarentegen dit nu versuymende, hetzij door traecheyt of door eygensoeckelickheyt ende giericheyt, so sal ons ontwyffelick de deure gesloten werden, ende noch ten laetsten, so wij daerin geraecken, sullen de saecken also verwerret staen, dat wij noch jammerlick sullen beklagen desen tyt ende onse giericheyt, gelyckerwys wij hedensdaegs de exempelen voor oogen sien, der landen ende luden, die te vooren niet en hebben een tonne gouts of twee willen opbrengen tot bescherminge haers vaderlants, ende nu bedwongen werden tien ende twintich tonnen te geven tot onderdruckinghe desselvigen, welcke

------------

N1. de deur van het vaderland.

empelen ons de Heere voorhoudet, opdat wt ons daeraen spiegelen ende in tyts toesien, dat wy in alsodanige straffen ooc niet en vallen." Daarna wordt uilvoerig aangewezen hoe veel nuttiger het was, dat men alle gelden, die tot het onderhoud der dienaren gestort worden, bijeenbracht in "eene algemeyne borsse," opdat daaruit diegenen souden ontvangen "die men soude bequaem vinden om in het genot deser handreyckinge angenomen te werden," dan dat, gelijk tot nn toe het geval geweest was, "een yegelycke gemeynte haer op haer eyghen handt besonder van Predicanten versiet." Vijftien verschillende "swaricheyden ende ongheschicktheden," aan de laatste wijze van doen verbonden, worden daarop blootgelegd, en tien bezwaren, die men tegen eene "ghemeyne handtreyckinge" zoude kunnen inbrengen, achtereenvolgens uitvoerig weerlegd, waarna de schrijvers aldus hun betoog besluiten: "Siet so kan men dan alle voorgheworpene ongeschicktheyden lichtelick alsoo nederleggen, ende derhalven blijft dat vast ende onbeweeght, dat de ghemeyne handtreyckinge aller ghemeynten in een, vele nutter is tot opbouwinge der Kercken CHRISTI, dan dese besonderde, die men tot noch toe ghebruyckt heeft, ja dat oock dese besonderde hinderlick ende der stichtinghe des lyfs CHRISTI nadeelich is, ende die ghemeyne ter contrarie seer voorderlyck ende nut." In de tweede plaats wordt, gelijk wij zeiden, gehandeld over de wenschelijkheid eener geregelde correspondentie tusschen de verstrooide gemeenten onderling, of, gelijk de schrijvers het uitdrukken: "boven alle dingen hebben wij voor noodich aengesien, datter een ghemeyne overeenkominghe, intelligencie ende verkundschappinghe onderlincx ghehouden werde onder allen ghemeynten des Nederlants, die hier ende daer verstroyt syn." Dit zou dan bij gebrek aan Synoden kunnen geschieden door brieven, welke de gemeenten tot elkander richtten, en waarin nauwkeurig verslag werd gedaan van hunnen toestand. Bij wijze van model geven de schrijvers een aantal zaken op, waarnaar men bij elkander onderzoek zou moeten doen, en sporen de gemeenten aan om "tronwelyck ende eendrachtelyck daerinne te volherden." Ten laatste worden nog een paar bladzijden gewijd, aan de wijze waarop men het best "den schamelen reysenden ende doortreckenden man, nae eens yeders standt ende nootdruft te hulpe soude kunnen komen." Daar het zoo dikwijls voorkwam, dat "vele reysende ludens op ende aftrecken, ende der armen almissen tot sick cryghen, daer sy menighmael landloopers ende schaedelycke listige boeven syn," zoo worden de gemeenten vermaand daartegen te waken, hetgeen het best geschieden kon door een getuigenisbrief te geven aan ieder, die uit de gemeente trok op hoop van bijstand te ontvangen, en die ondersteuning ook waarlijk waardig was. De schrijvers geven aan, op welke zaken men voornamelijk moet acht geven bij het verleenen van dien brief en wat daarin moet vermeld staan, en eindigen aldus: "Dit is, L. broeders, dat wy hebben goet gedacht, U. L. mede te deelen, biddende, dat gy het wilt in dancke nemen, ende samen met ons intghemeyne tot opbouwinge der Kercken CHRISTI met alle vlyt ende neersticheyt arbeyden, soo wy niet twyfelen, dat gy oock doen sult, als gy tot noch toe hebt ghedaen." Uit den geheelen inhoud van dit schrijven zien wij ten duidelijkste, gelijk ook Dr. VAN TOORENENBERGEN opmerkt, 1. dat reeds toen de stichting van eene Nederlandsche Gereformeerde kerk, het doel was waarnaar MARNIX, VAN DER HEYDEN, en velen met hen streefien. Als ballingen gedurende de zwaarste vervolgingen, terwijl alles verloren scheen, arbeidden zij met het oog op een beteren toestand in het vaderland, dien zij met vast vertrouwen te gemoet zagen.. Deze brief blijft dan ook een hoogst merkwaardig gedenkstuk uit die dagen. Het convent te Wezel in 1568 heeft VAN DER HEYDEN niet bijgewoond. PETRUS DATHENUS, waarschijnlijk de voorzitter dier vergadering, diende in dien tijd nog te Frankenthal, en men kon moeilijk de gemeente geheel onverzorgd achterlaten, doch in October 1571 werd aan VAN DER HEYDEN de eervolle tsak opgedragen de Synode, die te Emden gehouden zou worden, te leiden. 2 Drie jaren waren voorbijgegaan, sedert men te Wezel was samengekomen. Op nienw gevoelde men behoefte aan versterking van den gelegden band, en het was waarlijk geen wonder dat Emden werd uitgekozen, als de plaats waar de kerkvergadering zoude plaats hebben.

----------------

1. a w. Aanhangsel, bl. l6, bij deze woorden uit den brief: "om alle de ghemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lijven."
2. Men vergelijke over deze Synode: C. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 54-82; MEINERS, Oost-Vriesl. Kerk. Gesch. bl. 425 vgg. en H. Q. JANSSEN, de synode te Emden in 157l, in "Voor drie honderd Jaren."

Wat Emden voor de zaak der Hervorming geweest is, hebben wij reeds een paar malen de gelegenheid gehad op te merken. Niet ten onrechte mocht die stad de "herberg der gemeente" genoemd worden, en niets dan de volle waarheid behelst het opschrift dat boven de Oosterdeur der kerk wordt gelezen:

"Godts kerke, vervolgt, verdreven,
Heeft Godt hyr troost gegeven."

Niet alleen als schuilplaats voor de vervolgden, ook als moeder voor vele gemeenten was Emden bekend. Antwerpen gaf haar in 1576 deze schoone getuigenis, dat de weldadigheid en liefde harer kerk bekend waren in schier "alle gemeynten van Europen." Emden was voor de Nederlandsche Gereformeerden wat Genêve voor de Franschen van die gezindte was, zoodat de Roomschen die stad dan ook verafschuwden als "hereticorum asylum et quasi seminarium." 1.
In 1571 was Emden geheel veilig. Toen het convent te Wezel gehouden werd, was ALVA in het Noorden, en bedreigde na den ongelukkigen afloop van den slag bij Jemgum, ook Oost-Vriesland. Daarom had men toen te Emden, welke stad tevens door de pest geteisterd werd, niet kunnen vergaderen. Thans was de toestand geheel anders. Moeilijk ware thans eene meer geschikte plaats dan Emden te vinden geweest. Buiten het gebied van den Koning van Spanje gelegen, was men beveiligd voor aanvallen van die zijde, terwij1 de stad tevens, behalve de menigte vluchtelingen die zij reeds bevatte, ook gemakkelijk voor de andere vertegenwoordigers uit Duitsch-

------------

1. HOOYER, a.w. bl. 58.

land en de verschillende streken van Nederland te bereiken was. In de Emdensche kerkeraadsarchieven van dien tijd wordt met niet een woord melding gemaakt van deze toch zoo hoogst belangrijke Synode. MEINERS, 1. die ons dit bericht, spreekt als zijn vermoeden hiervoor uit "dat deze vergaderinge in alle stilte en als 't ware bedektelijk hier gehouden zij, om de Spaansche regeringe niet te zeer in 't oog te lopen." Het is zeer goed mogelijk dat dit de reden geweest is; immers de Regeering van Emden, hoewel met het plan om aldaar eene Synode te houden bekend, kan toch als hare begeerte hebben te kennen gegeven, dat die in stilte zoude plaats hebben, opdat zij niet daarvoor aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.
Uit het opschrift boven de Handelingen der Synode2 blijkt, dat tusschen den 5den en 13den October de synodale vergaderingen gehouden zijn. De particuliere vragen zullen wellicht later of vroeger behandeld zijn. Den 4den October schijnt men toch ook reeds eene vergadering gehad te hebben, blijkens eenen brief, 3.

--------------

1. Oost-Vriesl. lKerk. Gesch. I. bI. 426: ''t jaar l571 hielden de verstrooide Nederlandsche kruiskerken eene Synode hier te Emden. Van de wijze en de omstandigheden, op en met welke dezelfde gehouden is, vinde ik in onze kerkelijke geschriften en in ons Protocol van dien tijd geen de minste naricht; alleenlijk wordt in 't Protoool den 30 Jan. 1572 ter loops van deze Synode gewag gemaakt."
2 "Acta, ofte Handelingen der Versamelinge der Nederlandtsche Kerken, die onder 't Cruys sitten, ende in Duytschlandt ende Oost-Vrieslandt verstroit zijn, gehouden tot Embden, den 5 Octobris, Anno 1571." Aan het einde, boven de onderteekening, worden deze woorden gelezen: "Tot Embden, den 13 Octobris, anno onses Heeren 1571."
3. Bijlage B. N°. 1.

dien VAN DER HEYDEN aan zijne Frankenthaalsche gemeente schreef, drie dagen nadat hij in Emden was aangekomen. Over Wezel was hij gereisd, en bij zijne aankomst in Emden had hij "alle dinghen so raw" ' gevonden, dat hij en zijn assessor TAFFIN handen vol werks gehad hadden om de zaak in gereedheid te brengen, doch "doer Godes genade," zoo gaat hij voort, "hebben wy't so wyt gebracht, dat wij heden namiddagh d'eerste versamelinghe hebben sullen; de Heere wille ons daerin bijwoonen doer Synen Geest." De brief draagt tot dagteekening: "den 4 Octobris, in Embden," doch is zonder jaartal. Dat wij hier aan 1571 moeten denken blijkt duidelijk uit de verschillende toespelingen op de Synode, doch wordt ontwijfelbaar zeker, door hetgeen wij verder lezen: "hier es seker tijdinghe, dat THEOPHILUS ende ANTHONIUS te Nordwyck 2 hares dienstes ontset syn, ende verbannen syn; YSBRAND 3. es oock ontset, maer toegelaten met anderen te moghen vercoren werden" etc. Wij weten dat dit plaats had in September 1571, zoodat de tijding daarvan juist in den aanvang van October te Emden moet zijn aangekomen. 4

1. "Zoo weinig gereed."
2. Norwich in Engeland.
3. Dit zijn THEOPIIILUS RYCKEWAERT, ANTHONIUS ALGOET en YSBRAND BALCK, of TBABIUS, een der ambtgenooten van G.
VAN DER HEYDEN te Antwerpen.
4. Zie "BURN, History of the French, Walloon, Dutch and other foreign protestant refugees, settled in England from the reign of HENRY VIII, to the revocation of the edict of Nantes, page 197-199," waar ij o. a. lezen: "The city assigned to the Dutch congregation the use of the quire of the Friars Preachers church. They soon afterwards prayed the Court, to confirm certain articles, made by the minister of the Dutch church.... which articles being put in execution'

Eerbiedig volgen wij GA8PAR VAN DER HEYDEN in den geest op de altijd gedenkwaardige EmdenscheVergadering, de eerste Synode der Gereformeerde Kerk van Nederland. In den vreemde werd zij gehouden, maar voor het vaderland heeft zij gearbeid, daar zij den grond heeft gelegd voor de ordening van de Kerk der toekomst, overeenkomstig de schets van beginselen, welke op het convent te Wezel ontworpen was. Hoe hoog VAN DER HEYDEN stond aangeschreven bij zijne mede-belijders blijkt al aanstonds hieruit, dat hem het Praesidium werd opgedragen. In bizonderheden kunnen wij den invloed niet nagaan, dien hij daar persoonlijk gehad heeft, doch in het algemeen kunnen wij niet nalaten op te merken, dat de geest, die in den hoven vermelden rondgaanden brief doorstraalt, ook deze Synode bezield heeft, daar wij zien, dat zij zich bizonder heeft beijverd, om de verstrooide gemeenten der Nederlandsche Gereformeerden bijeen te houden en tot één groot

-------------
caused great debates and differences among them, so that ISEBRANDUS BALKINS, the head minister and his party, openly contended with THEOPHILUS RICKWAERT and ANTHONY ALGOET, the two other ministers and their party, so much, that they were admonished by the Bishop and Mayor to be at peace.... A final decree was made in this matter bij the Archbishop and the rest of the High Commissioners on the 16th September 1571, by which all spiritual jurisdiction over them was acknowledged to be in the Bishop of Norwich. It was also decreed, that ISBRAND BALKINS,` RICKWAERT and ALGOET should be displaced from their ministry and seniority, and be hereafter incapable to be replaced, either in Norwich or London, onder pain Of imprisonment without redemption.... ISEBRANDUS BALKINS was afterwards appointed bij the Archbishop, as minister of the Dutch at Stamford."

lichaam te vereenigen, waartoe ook hare "verdeylinge der classen" strekken moest. Hierin is voorzeker de invloed van VAN DER HEYDEN niet te miskennen. Hoogst merkwaardig mogen wij ook den moed en de vastheid noemen, waardoor deze Vergadering zich onderscheiden heeft, "zoodat men uit hare artikelen bijna niet zou opmaken, dat zij voor kerken geschreven zijn, onder het kruis gezeten." 1. "Inderdaad er is" gelijk een schrijver onzer dagen opmerkt, "iets profetisch in den stand en de uitspraken der Emder-Synode. Niet slechts heeft zij van die echte beginselen der kerkregeering getuigd, die alleen eene toekomst hebben, maar zij heeft ook, zonder op haar kruis acht te geven, de verlossing der Kerk vooruit ziende, gesproken. Van daar haar blijvend gezag in de Nederlandsche Kerk. Al de volgende Synoden hebben het door haar vastgestelde steeds in het oog gehouden, zoolang het kerkbestuur niet van de Gereformeerde beginselen afweek, en nu nog is de oude Kerk-ordening van 1571, om den nadruk, waarmede zij de presbyteriaansche beginselen huldigt, een baken, dat de wisseling van tijden en meeningen en reglementen verdunrt." 2. Tevens zij hierbij nog opgemerkt, dat VAN DER HEYDEN ook behoorde onder degenen, die door de Synode verkozen werden, om aan MARNIX VAN ST. ALDEGONDE inlichtingen te verschaffen tot het historisch werk, dat deze van plan was te schrijven over de gewichtigste voorvallen der

----------

1. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 59.
2. Dr. J. J.VAN TOORENENBERGEN, Vaderlandsche Herinneringen, III. "In den dankstond te Emden, den 4den October 1571." bl. 68 en 69.

laatste jaren. Gelijk men weet, is dit plan nimmer ten uitvoer gekomen. 1. Na afloop der Synode keerde VAN DER HEYDEN naar Frankenthal terug, waar hij nog bijna drie jaren den dienst des Woords bleef waarnemen. Doch wij moeten een paar maanden terug, om te zien wat er in den zomer van datzeltde jaar 1571 te Erankenthal was voorgevallen. Gelijk in ons vaderland, werden ook onder de uilgeweken Nederlanders vele Wederdoopers gevonden. Zij vertegenwoordigden het radicale beginsel in de hervorming en vervielen daardoor tot uitersten. Het begrip van kerk, zooals de Gereformeerden dat verstonden, werd door hen veroordeeld, terij1 zij een "bond" van wedergeborenen zochten te vormen, weshalve hunne tegenstanders hun verweten, dat zij een op deze aarde onbereikbaar en onbestaanbaar ideaal najoegen. Er waren onder hen mannen van ongeveinsde vroombeid, die eenen moed en eene zelfopoffering ten toon spreidden, ook te midden der hevigste vervolgingen, welke ons tot bewondering stemmen, doch zij hebben al de ellende ondervonden van wat het is geholpen te worden door vrienden, die ijveren zonder verstand.

-------------

1. Acten der Synode te Emden, artt. 48, 49, 50.
2. Vgl. Dr. A. W. BRONSVELD, Gesprek met de Doopsgezinden te Franckenthal, in "Voor Drie-Honderd Jaren."
Men zie ook wat H.Q. Janssen schtijft in de "Kerkhervorming te Brugge"' I, bl. 67: "Inderdaad schijnt de Doopsgezinde richting eene oorspronkelijke, echt Nederlandsche te zijn, diep gegrond in 't volkskarakter, welig tierende in Vlaanderen, den ankergrond der Hervorming, helaas! in kwaad gerucht gekomen door de uitspattingen der Munsterschen, daarom onderdrukt en onder de aanvallen des gewelds schier ten onder gegaan, eindelijk overschaduwd en verdrongen door vreemden invloed."

Onder de middelen, die aangewend werden om hunnen aanwas te stuiten, en hen zoo mogelijk tot eene andere denkwijze over te halen, behoort ook het godsdienstgesprek, waarmede wij ons thans moeten bezig houden, en dat vooral merkwaardig is, als proeve hoe men in die dagen ook zonder heftigheid en bitterheid kon strijden. "FREDERICK, van Godes genade Paltzgraue bij den Rijn, des H. Roomschen Rijcks Ertztruchses ende Cuervorst, Hertoge in Bayeren etc, "gaf in 1571 bevel tot het houden van een godsdienstgesprek tusschen Gereformeerden en Doopsgezinden. Als plaats waar men te zamen zou komen werd Frankenthal aangewezen, terwijl de keurvorst vrijgeleide en "herberghe, spijse ende dranck" beloofde aan al de Doopsgezinde leeraars, die het gesprek wenschten bij te wonen. Zelf benoemde hij twee of drie mannen, die de geheele samenspreking zouden leiden, `'opdatter geen confusie en werde." Het gesprek werd den 28sten Mei geopend, in tegenwoordigheid van den Keurvorst zelven, die zich, daar hij verhinderd was de volgende vergaderingen bij te wonen, dagelijks door den "verordenden post" bericht liet zenden van hetgeen er verhandeld was. Dertien verschillende stellingen werden achtereenvolgens besproken, die de meest fondamenteele zaken van den Christelijken godsdienst raken; de 4 laatsten handelen over de bekende geschilpunten, 1. nl. "Of een Christen een

1. De negen anderen handelen: 1. van der heyliger Sehrift. 2. van Godt. 3. van CHRISTO. 4. vander Erfsonde. 5. vande Keercke. 6. vande Rechtveerdichmakinge. 7. vande opstandinghe des vleeschs. 8. vande echt. 9. vande Gemeynschap der goederen.

Ouerheijt zijn, ende die boose met den sweerde straffen mach?"
"Of den Christen toe ghelaten zij, rechtmatighe Eeden bij den naem Godes te doen: Dat is God tot ghetuyghenisse der Waerheijt aen te roepen."
"Of de kinderen der Christenen behooren ghedoopt te werden."
"Of dat heylich Auontmael alleen een bloot ende ledigh kentteecken ende vermaninghe tot gedult ende liefde, ofte dattet oock een crachtighe verseghelinghe zij der Saligher ghemeynschap, welcke alle geloovighe met CHRISTO hebben tot den eewighen Leuen." Tot den 19den Juni duurde het gesprek voort. Van de zijde der Gereformeerden heeft bijna voortdurend DATHENUS het woord gevoerd, 1. en dat op eene wijze die ons voor hem inneemt; van heftigheid en hardheid, die hem anders gewoonlijk kenmerken, bleef hij daar te Frankenthal vrij. Doch gelijk gewoonlijk bij zulke godsdienstgesprekken het geval is, dat namelijk beide partijen in hunne eigene meeningen gestijfd worden en geen haar breed daarvan willen afwijken, zoo ging het ook hier. De keurvorst liet den Doopsgezinden dan ook na het gesprek verbieden te leeren en de Sacramenten te bedienen.
GASPAR VAN DER HEYDEN woonde het gesprek bij, al behoorde hij niet tot de colloquenten, en hem werd opgedragen het Protocol, dat in het Duitsch gehouden was, en zeer spoedig daarna in diezelfde taal te Heidelberg het licht zag, in het Nederlandsch te vertalen.

----------

1. De "Wederdoopersche Colloquenten" waren voornamelijk THIEBOLD WINTER en RAUF BISCH.

Nog in het zelfde jaar was deze vertaling gereed en uitgegeven. De titel is:

PROTOCOL
dat is
DE GANSCHE
HANDELINGE DES GESPRECKS, TE FRANKENTHAL, IN DER CUERVORSTELICKER PALTZ, MET DIEN, WELCKE MEN WEDERDOOPERS NOEMT, DEN 28 MAY BEGONNEN, ENDE DEN 19 JUNI DESES, 1571 JAERS, VOLEYNDICHT. WY DEN OUERLANTSCHEN DUYTSCHE, IN NEDERLANDTSCH DUYTSCH GHETROUWELICK OUERGEST, DOOR
GASPAR VAN DER HEYDEN,
DIENAER DER GEMEYNTE CHRISTI TE FRANCKENTHAL.
( Vignet.)
Wat voor Artyckelen des Christelicken Geloofs ende ander dingen, in deser tsamensprekinghe verhandelt werden, salmen inde Registers, die achter op het eynde deses Boecks gestelt zyn, seer bequamelick vinden.
ROM. 16, vers 17.
Iek vermane v lieue Broeders, dat ghy toesiet, op die daer schueringhe, tweedracht, ende ergenisse aenrichten, neuen de Leere, die ghy gheleert hebt: ende wycket vanden seluen.
Ghedruckt int Jaer 1571, den XXV Nouembris.

De voorrede van het zeldzaam boekje begint aldus: "GASPAR VAN DER HEYDEN, wenscht allen Christenen ende goethertighen lesers, Godes ghenade, ende vermeerderinghe der gauen des Heylighen Gheestes, door JESUM C'HRISTUM, Amen." Daarna zet de schrijver uitvoerig uiteen om welke redenen hij de overzetting van dit Protocol, nadat hij daartoe aangezocht was, op zich had genomen, en hij deelt vervolgens het een en ander ter opheldering mede. Wij hooren hier o. a. dat hij "by, ende inder Disputatie van den beginne totten eynde gheweest is," hetgeen hem natuurlijk tot groote hulp bij het vertalen moest verstrekken, en hem te meer vrijmoedigheid gaf, om hier en daar, waar "sommighe merckelicke Erraten ofte Fauten in't Hoochduytsche Exemplar misdruckt waren" die te verbeteren. Tot hiertoe boezemt deze voorrede ons slechts weinig belang in, doch wat hierna volgt, acht ik merkwaardig genoeg om geheel over te nemen, vooral daar het ons toont, hoe het reeds in die dagen vaak met het uitgeven van een boek ging. "Desen arbeydt" aldus gaat dan GASPAR VAN DER HEYDEN voort "heb ick ter handt genomen, corts nadat het Duytsch Exemplar was begonnen te drucken, want men heeft mij daghelicx toeghesonden, watter gedruckt was, men heeft ooc in allen Gemeynten ende oueral geschreven, dat ick het Protocol translateerde, opdat de begeerigen wat getroost werden, ende wisten wat sy vander Disputatie te verwachten hadden. 1. Ende ooc, opdat hem niemant lichtveerdelick onderwinden soude, dit werck (sonder daertoe beroepen te zijne) na te doene, opdatter alleen eenerley Copye ware, ende also de ongelyckheyt vande ouersettinghen vermijdet, ende volghens alle occasien van lasteringhe, ontnomen werden mochten. Maer dit heeft bij sommighen niet moghen ghelden, want ick hebbe ouer een wyle Copijkens van mijn translatie gesien, diemen listelick van de Druckerye ghecreghen

-----------

1. Een hewijs, ten eerste dat men algemeen deze disputatie zeer belangrijk oordeelde, daar er zoo naar eene overzetting verlangd werd, en ten tweede dat G. VAN DER HEYDEN bij lle gemeenten bekend en gezien was; men wist, indien hij "translateerde," was de zaak in goede handen.ende nagedruckt ende in ander Steden gesonden ende oueral getoont heeft, alsof men het selue woude nadrucken. Middelertijt so wert het Protocol van nieus ouergesettet (in hoevele plaetsen dat sulcks gheschiet is my onbekent ende met wat getrouwicheyt ende vlyt, dat sal den tijt leeren) door welcken allen gheen geringhe confusie ontstaen en sal, tot nadeel vander eeren Godes, vander eeren onses Genadichsten Cuervorsten ende Heeren, ende der ghener, dien dese Disputatie aengaet. Daerom wil ick allen Godsalighen ende goethertigen Lesers, hier voor ghewaerschout hebben, hier met betuyghende dat ick gheen Translatie voor de myne houden noch verantwoorden wille, dan die ghedruct is met de Mediaen letter Anno 1571, de 25 Nouemb. Met dat Teecken op het voorblat, den Leeuw wt den geslachte Juda, etc. Ofte die met deser Copye in alles overeencoemt, ende doorgaens gelyck luydet. Niet dat ick hier mede mij seluen verheffen ende ander verachten wil (want ick hadde wel moghen lyden, dattet een anderen opghelegt ende wel ghedaen geweest hadde) noch oock, dat ick min werck te seere rechtueerdighen wille, (want weet my yemant inder ouersettinghe te berispen, ick wilt geerne bekennen, ende beteren) maer segghe, dat men in sodanigen gewichtigen dingen Christelick ende stichtelick handelen soude, ende my (diemen wiste dat hiermede onledich was) aenghesproken hebben, opdat men malcanderen ten besten hadden beraden connen. Alleen voor ooghen hebbende Godes eere ende de voorderinghe sijnder Gemeynte, ende onsseluen. De Heere gheue allen goethertighen Lesers een ghesondt oordeel, ende een aendachtich herte, Amen." Werkelijk kwam er den zesden December van hetzelfde jaar, dus slechts 12 dagen na het verschijnen van VAN DER HEYDEN'S vertaling, nog eene andere overzetting van het Protocol uit, en wel, gelijk op het titelblad vermeld staat, "naer de warachtighe Copie wt dat Originael Protocol, ghedruct inde Churf. Stadt Heydelberch int Pfaltzgrauen Landt, wt de Ouerlantsche sprake inde Nederlantsche Tale getrouwelick ende onpartijdich ouergestelt. Ende wederomme met der Originale Copie ghecollationeerd, waeraf (so vele moghelic is) noch af noch toe ghedaen en is. By my HANS BRUYNINCX." 4.

-------
1. Deze uitgave is in octavo gedrukt en telt 291 bladzijden. Het is niet onbelangrijk de voorrede er van met die van
GASPAR VAN DER HEYDEN te vergelijken. Zij luidt als volgt:
"Den Translateur totten Leser."
"Christelicke Leser. Ick heb den arbeydt om dese langhduerende Disputatie wt den Ouerlandtsche in de Nederlantsche tale te translateeren, onuerdroten geerne aenghenomen, niet om eijghen bate, oft yemande te spijte (ken Godt) maer veel meer wt eene sonderlinghe affectie, die ick totter Ghemeynte CHRISTI hebbe, haer hiermede dienst te bewijsen, daermede elck een van alles proeuen ende wat goet is behouden mach. Hoewel ick verstaen hebbe, dat U. L. gewaerschout zijt, dat dese mijne Translatie niet voor goet en behoort gehouden te worden, maer datmen eene andere van grooter formaet, (diemen ooc dructen dewyle ick in den arbeydt was) voor de beste soude houden. In de welcke om beters wille ende tot verlichtinge vander saken (so ick verstaen) hier ende daer wat af ende toeghedaen is, dat ick in mijn translateeren mij niet en heb doruen onderwinden (want anders en waer het gheen translatie) maer heb slechts het waerachtich Exemplaer, het welck in de Churf. Pfaltz. Stadt Heydelberch in druc wtgegaen is, gevolcht, ende daerna wederom metten Originale Exemplaer neerstich gecollationeert, de welcke so ic die te buytengegaen ben, ende men mij tselue bethoonen can, accordere ick beschuldicht te worden, maer die ouer mij oordeelt, eer hi gehoort ende gesien heeft die doet mij gewelt ende onrecht. De voorzorgen van
VAN DER HEYDEN hebben dus weinig mogen baten. Wij vertrouwen echter, dat zijne waarschuwingen betreffende de echtheid en ongeschondenheid zijner "translatie," bij de lezers ingang zullen gevonden hebben, en zij zich zorgvuldig voor deze nieuwe uitgave zullen hebben gewacht. Na de voorrede van VAN DER HEYDEN volgt eene "Christelicke Vermaninghe der Cuervorstelicker Paltzsischer Kerckendienaren, die bij den Gespreke te Franckendale geweest hebben, aen die door misverstandt verstricte ofte verwerrede, genoemde Wederdoopers," dan het Mandaat van den Keurvorst tot het houden van het gesprek en eindelijk het Protocol zelf, dat met eene "Recapitulatio ende besluytreden" eindigt. Het boek, in 4° gedrukt, telt, behalve de beide registers (een "van de voorneemste stucken des Protocols" en een van de "Plaetsen des Ouden ende Nieuwen Testaments, die in desen Boeck verclaert werden"), 646 bladzijden. Voor dat wij het boeksken uit de hand leggen, nog een

---------

Hoewel den aart der Translatien is, wel een woort te herstellen, ooc bywylen te veranderen om beters verstants wille, so is nochtans den sin ende meyninge onverandert bleuen, my dies op mijn Exemplaer ende Copie beroepende. Maer so het vrij stonde de woorden te verchieren oft te verbloemen, dat hadde ick wel connen doen etc. Doch en heb ick gheen ander Translatie ghesien, noch den Drucker ghegheven, dan deselue, die ick wt der voorschreven Heydelberscher Copyen gestelt ende onpartydich gevolcbt hebbe. Ende niet met subtylheyt yemants anders Copie wt andere Druckerije becomen, noch myn were daermede gevoordert hebbe, gelyck ick hoore, dat de Afgonstige wtgeuen. Hier toe ben ick inwendich nootsakelic gedronghen geweest my te excuseeren ende u dit niet connen bergen. Biddende U. L desen mijnen arbeydt tot op een verbeteringhe in dancke te willen nemen. VALE."

enkel woord over de plaats waar het gedrukt is. Gelijk men uit den titel heeft kunnen bemerken, worden noch de naam van den drukker, noch die van de plaats, waar dit geschiedde, daarop vermeld. Het vignet stelt een staanden leeuw voor, die een geopenden Bijbel in de voorpooten omklemd houdt, met deze woorden er om heen: "Siet de Leeuw wt den Geslachte Juda, de Wortel Davids heeft overwonnen. Apo. 5." 1. TE WATER gist, naar dit titelblad te oordeelen, dat JAN CANIN de drukker was, "tzij " zegt hij "dat die toen te Dordrecht woonde, of ook naar Embden gevlucht was." 2. Uit den brief, dien VAN DER HEYDEN den 4den October 1571 uit Emden naar Frankenthal schreef, krijgen wij meer licht. Daar lezen wij: "Ick bevlijtighe mij vroech ende spade in't ouersetten, maer ick vreese, dat ickt hier niet al sal connen afdoen. Ick heb de broederen geschreuen, of ick soude moghen te Wesel blijven, totdat sulcks volmaeckt waere, anders tsal den druckers tot grooten nadeele comen, die van nv op mij wachten ende ick weet niemand, dien ickt soude doruen toebetrouwen, dus verwachte ick der broederen andworde hiervan."3. Uit deze woorden wordt het waarschijnlijker, dat Dordrecht de plaats is, waar wij den drukker van het Protocol moeten zoeken; tusschen Wezel en Dordrecht was de communicatie gemakkelijk en levendig. Bovendien is het bekend, dat JAN CANIN van 1570 tot 1636 te Dordrecht

------------

1. Het is opmerkelijk dat deze afbeelding dezelfde is, als die ons als het kerkelijk zegel der gemeente te Norwich beschreven wordt. zie KIST en ROYAARDS, Kerkhistorisch Archief, I, bl. 484.
2. Reform. van Zeeland, bl. 400.
3. Bijlage B. N°. 1.

als drukker is werkzaam geweest;' dat het vignet van hem is, kan als zeker beschouwd worden. GASPAR VAN DER HEYDEN keerde dus na het einde der Emdensche Synode over Wezel naar Frankenthal terug. Van hetgeen er in de jaren die nu volgen, tot aan zijn vertrek uit die plaats, met hem voorviel, is ons weinig bekend. Slechts hier en daar, o. a. in de acten van den kerkeraad te Keulen uit die dagen, ontmoeten wij zijn naam, en wij vernemen er niet meer uit, dan alleen dit, dat hij in dien tijd nog te Frankenthal was. Zoo wordt op de vergadering der "Cuelsscher Classen, ghehouden tot Bortzut bij Aken, 2 Nov. 1572" o. a. besloten: "dat men soude schrijven aen Ds. CASPARUS OLEVIANUS ende aen CASPARUS VAN DER HEYDEN, haeres raets te hebben ende te genieten van weghen ende ouer die vander Cuelsscher Gemeynten, welcke sich nu ter tijt weigheren de articulen des Emdisschen Synodi Generalis te onderschrijven, om te weten, hoemen met deselve gemeynte te handelen sal hebben." 2. In December richtte de gemeente van Kenlen wederom eenen brief, "Aen den seer vromen ende eersamen Mr. JASPER VAN DER HEYDEN, Dienaer

----------

1. Zie A M. LEDEBOER, "De boekdrukkers,boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland, sedert de uitvinding van de boekdrukkunst tot den aanvang der 19e eenw," bl. 137.
2. Acten van Classic. en Synod. Verg. der verstrooide gemeenten in het land van Cleef, Sticht, van Kuelen en Aken, 1571-1589. Werken der Marnix-vereeniging, II. II. bl. 23. Natuurlijk werd zijn oordeel gevraagd, als Praeses dier Synode. Men scheen toen reeds weder aan eene nieuwe Generale Synode te denken, althans
VAN DER HEYDEN had over den tijd wanneer, en de plaats waar men die houden zou, aan de Keulsche Classe geschreven. Marnix-Ver. 1I. II. bl. 24.

des Woordts van der kercken tot Franckenthal," over eenige gelden die zij moest ontvangen, doch die ons verder minder belang inboezemt. 1. In 1573 verloor VAN DER HEYDEN zijnen ijverigen ambtgenoot ARNOLDUS CRUSIUS. Deze was in de lente van dat jaar naar zijne vaderstad Delft gereisd, om zijne ouders te bezoeken, en na aldaar eenige malen gepredikt te hebben, was hij er tot vast leeraar beroepen. Hij schreef dit aan VAN DER HEYDEN, terwijl de kerkeraad van Delft tevens aan dien van Frankenthal van deze beroeping kennis gaf, met het verzoek den jeugdigen leeraar te mogen behouden. CRUSIUS had bij zijn vertrek uit Frankenthal, vast beloofd daar te zullen terugkeeren, maar toen reeds had VAN DER HEYDEN hem gewaarschuwd, dat hij, eenmaal in het vaderland zijnde, "syn selfs meester niet sijn soude," en daarom zijne belofte "niet soude connen volcomen," en het was geschied, gelijk hij gedacht had. Wat het aan de gemeente en aan VAN DER HEYDEN in zonderheid kostte hem te moeten missen, kunnen wij opmaken uit de drie ons bewaarde brieven, die deze hem naar Delft geschreven heeft, waarvan een uit naam van het consistorie te Frankenthal.2 Hij spreekt hem daarin aan als "zeer lieue ende in mijn hert gewenschte broeder" en schrijft o. a. verder: "Ick heb v. 1. brief dick met tranen gelesen, ende desen niet daersonder geschreuen; denck hoet mij bedroeuen moet, dat ick dus dickmale veranderinge der mithulperen onderworpen ben; alsnu daarson-

---------

1. Werken der Marnix-Vereeniging III V.l. (Brieven uit ondersch, Kerkel. Archieven.) bl. 69. Vgl. ook Marnix-Vereen, I. III. (Handelingen der Nederlandsche Gemeente te Keulen van 1571-1591.) bl. 41,
2. Bijlage B. N° 2. 3. 4.

der sittende, de sorge alleene draghende, alsdan eenen cryghende die myns sins niet en is, en v. 1, die myns herten lust was, moet ick derven. Het soude mij haest verdrieten meer collegas te begeeren, so ick wederom niet dochte, dat ick anderlieden gauen wier gemeynten sluyten, ende haer daervan beroouen soude. Och mochte mij de Heere noch soo geluckich maken, dat ick by v. 1. oft ghy by my waeret." Het blijkt dus wel dat, gedurende den tijd dat zij te zamen gearbeid hadden, een vaste vriendschapsband tusschen hen was ontstaan; ofschoon zij later nimmer weder den dienst des Woords in dezelfde plaats hebben waargenomen, zoo is deze vriendschap niet verflanwd en tot aan het einde toe hebben zij eene geregelde en intieme correspondentie met elkander onderhouden. Door de gemeente van Frankenthal werd besloten CRUSIUS te Delft te laten, maar hem zijn definitief ontslag toch nog niet te geven, totdat zij zouden zien hoe het hun ging en of men eenen goeden plaatsvervanger zou kunnen vinden. Dit was echter niet zeer gemakkelijk, gelijk wt ook uit een brief van 12 October 1573 bemerken.' Ofschoon VAN DER HEYDEN er reeds met OLEVIANUS over gehandeld had, had men nog niemand kunnen vinden, bereid en geschikt de plaats van CORNELII in te nemen. Hij klaagt dan ook dat de arbeid in de gemeente hem bijna te zwaar wordt, "dewijle sij daghelycks wasset, ende ick wasse niet, maer neme af," en hoopt nog steeds, dat CORNELII terug zal keeren. "Condy weder tot ons comen, wij hadden geen dingk lieuer," maar ook in het tegenovergestelde geval troost hij zich, als hij de "glorie

-----------

1. Bijlage B. N° 4.

Goits ende tvaderlant" bedenkt. 1. ARNOLDUS CRUSIUS GORNELII kwam echter nimmer weder te Frankenthal terug, en spoedig zou ook VAN DER HEYDEN zijn voorbeeld volgen en aan het "vaderland zijne diensten, waar die hem gevraagd werden, niet onthouden.

----------

1. Ofschoon natuurlijk niet alle bizonderheden in deze brieven ons even veel belang kunnen inboezemen, zoo ontmoeten wij hier en daar dikwijls eene opmerking, die wel waard is, dat men er bij stilsta. Zoo vermeldt VAN DER HEYDEN in zijnen brief van 25 Sept. 1573 terloops, dat hij vernomen heeft dat de Prins VAN ORANJE niet ingenomen was met de Synode te Emden. "'t Wondert mij seere" zegt hij "dat Syn Excel. Synodum Embdanam soude misprysen, daar ons D. ALD. eer wyer henen ginghen, anders geseyt heeft, ende het doet nu vele achterdenckens hebben, wat dat bediedt. Ick sorge wel ten deele, dat het quaet is, dat hij niemand bij hem heeft, die CHRISTI saken wat meer diene. Ick wil met DATH. en TAF. daervan spreken." Wat mag hiervan de reden geweest zijn? Achtte de Prins deze Synode wellicht ontijdig ?

 

HOOFDSTUK III.

In de gevestigde Kerk.

Sedert 1567, het jaar waarin VAN DER HEYDEN voor de tweede maal naar Frankenthal was vertrokken, was de toestand in het vaderland zeer veranderd. De inneming van den Briel en de vrijwillige overgave van verscheidene steden aan de zaak der vrijheid hadden de hoop bij de welgezinden doen herleven, en ofschoon de zon van voorspoed niet altijd aan een even onbewolkten hemel scheen, maar slechts al te dikwijls door zware tegenspoeden en rampen verduisterd werd, zoo was toch de verwachting van betere tijden te zien aanbreken algemeen. Wij zullen thans niet algemeen bekende historische bizonderheden herhalen, maar ons slechts met datgene bezig houden wat voor de kennis van het leven van GASPAR VAN DER HEYDEN belangrijk is, en vestigen daarom het oog op Middelburg. 1 Reeds vroeg had zich in die stad eene gemeente gevormd van hen die belijders waren der nieuwe leer, en sedert 1559 hadden zij in GELEIN JANSZ. D'HOORNE eenen trouwen en ijverigen leeraar 2 die even als VAN DER

----------------

1. Men zie, voor alles wat op Middelburg betrekking heeft: A.'s GRAVEZANDE, Tweede eeuw-gedachtenis der Middelburgsche vrijheid.
2. Zie over hem: 's GRAVEZANDE a. w. passim, en E. NAGTGLAS, De algemeene kerkeraad der Nederduitsch-hervormde gemeente te Middelburg, bl. 4. vgg.

HEYDEN in der tijd te Antwerpen, het schoenmakershandwerk beoefende, om der gemeente niet tot last te zijn. Tot in 1566 werden de bijeenkomsten in stilte gehouden en wel meestentijds ten huize van zekeren BOUWEN de Makelare, die evenals de voorganger D'HOORNE zelf, onder de door ALVA gebannenen voorkomt. In Juli 1566 begon men op Walcheren met de openbare prediking en in Augustus van datzelfde jaar werd men in Middelburg ook stoutmoediger en koos, daar de plek waar men gewoon was geweest in stilte te zamen te komen te klein was geworden voor het aantal belangstellenden, een pakhuis binnen de stad "achter het huis genaamd den gouden Leeuw in den Langendelft." Doch zoodra de overheid hiervan kennis had gekregen, werd de prediking aldaar gestuit en den predikant bevolen het rechtegebied der stad te verlaten. Daarop volgde de beeldstorm, waarvan ook Middelburg niet gespaard bleef, en het stedelijk bestuur was nu niet langer bij machte het prediken met geweld te beletten, maar poogde het door zachte middelen tegen te gaan. Dit alles was echter te vergeefs, want de openbare bijeenkomsten namen van dag tot dag toe en werden zelfs door de aanzienlijkste personen bijgewoond. 1. Een kerkeraad vormde zich en de gemeente nam zeer in bloei toe. Men verkreeg van de regeering vergunning om in eene schuur buiten de Zuid-Dampoort, zeer gelukkig gelegen, de godsdienstige samenkomsten te houden, terwijl de overheid zelve met eene wacht voor de veiligheid der vergaderingen zorg zou dragen. Doch deze

-------------
1. NAGTGLAS, a. w. bl. 6.

tijd van rust duurde slechts kort. Reeds in Februari 1567 werden de predikatiën verboden, en D'HOORNE week naar Engeland.
Toen VLISSINGEN in April 1572 de zijde van den Prins had gekozen, waren zeker de meeste burgers van Middelburg zeer geneigd dat goede voorbeeld te volgen, waartoe zij nog door een brief van den Prins van 1 Mei werden aangespoord, maar de gouverneur, ANTONY VAN BOURGONDIË heer van WACKENE, was hiertoe niet te bewegen en liet strenge wacht houden omdat hij een aanval uit VLISSINGEN vreesde, die dan ook weldra plaats had, doch niet met gunstigen ailoop. Toen men zag dat men door overrompeling niets vermocht, begon men Middelburg in te sluiten, hopende het door den honger tot de overgave te dwingen.
Het is hier niet de plaats dit gedenkwaardig beleg, dat bijua twee jaren duurde, nanwkeurig na te gaan 1. De Spanjaarden deden hun uiterste best om de stad voor den Koning te behouden en offerden er zeer veel voor op, maar de nood klom al hooger en hooger, en toen den 29sten Januari 1574 bij Roemerswael door de Prinselijke vloot, onder admiraal BOYSOT, eene schitterende overwinning op de Spaansche was behaald, die gekomen was om Middelburg te ontzetten, toen begreep MONDRAGON, die binnen de stad het bevel voerde, dat het tijd werd aan de overgave te denken. Zeer gunstige voorwaarden werden hem toegestaan, en den 18den Februari 1574 was

--------------

1. Men vergelijke daarvoor: VAN VLOTEN, Nederlands Opstand tegen Spanje, Il. bl. 147 vgg. MOTLEY, l I.page 443 sqq. en ´s GRAVEZANDE, a.w. die allerlei bizonderheden over dit beleg mededeelt.

de Prins meester van de hoofdstad van Zeeland, en hield er den 24sten van dezelfde maand zijnen blijden intocht.

Men zong:

"Wilt nu, ghy Nederlanden,
Te samen zijn verblydt,
Middelburch is in handen
Des Princen, nu ter tydt.
Den Prince van Orangien
Met zijn vorstelyck ghemoedt,
Dryft het crijchsvolk van Spaengiën
Wt Middelburgh met spoet. 1.

Het is te begrijpen, dat spoedig na do overgave der stad, de Gereformeerde godsdienstoefeningen in eere waren hersteld. Ook GELBIN D'HOORNE liet niet lang op zich wachten, maar keerde terstond uit Engeland terug, en predikte waarschijnlijk voor het eerst op Zondag 7 Maart. Hij werd geholpen door de predikanten van VLISSINGEN, JACOBUS BASEBIUS en JOHANNES GEROBULUS, 2. en door dien van VEERE, JOHANNES VAN MIGGRODE, 3. totdat er een ander vast leeraar in Middelburg zou beroepen zijn. Zij predikten, behalve des Zondags, nog tweemaal in de week, des Dinsdags en Donderdags, en wel over de Lijdensgeschiedenis, dewijl het nog vóór Paschen was, dat in dat jaar op 11 April inviel.4 De kerk hiertoe gebezigd was de St. Pieterskerk, gewoonlijk Noord-monster genaamd, waar ook de vergaderingen van het consistorie in vervolg van tijd werden gehouden. Deze kerk werd ook het eerst "gereinigd," dat is, van de Roomsche sieraden ontdaan,

---------
1. Nederlandsche Geschiedz. II, bl. 116.
2. Zie over hen, VROLIKHERT, Vlissingsche Kerkhemel, bl. 12 vgg.
3. Zie over dezen werkzamen leeraar, GLA8IUS, Godgel. Nederl. in voce.
4. 's GRAVEZANDE, a.w. bl. 492.

terwijl korten tijd daarna ook de St. Maartens- of Westmonster en de Abtdijkerk of Oostmonster, voor de Gereformeerde godsdienstoefeningen geschikt werden gemaakt. 1. Daar er nog geen vaste kerkeraad gevormd was, werd door den Prins VAN ORANJE, in overleg met de hierboven genoemde leeraren van VLISSINGEN en VEERE, die toen de classis van Walcheren uitmaakten, een tweede predikant voor Middelburg benoemd, en hunne keuze viel op GASPAR VAN DER HEYDEN. Den 8sten Maart, dag waarop de eerste vergadering werd gehouden van het door D'HOORNE te zamen geroepen provisioneel consistorie, werd aan hem reeds een beroepsbrief naar Frankenthal afgezonden. 2. Men kan zich voorstellen, dat het VAN DER HEYDEN moeilijk moest vallen de gemeente van Frankenthal, die hem zeer lief geworden was, 3. te verlaten, en dat dit in werkelijkheid zoo was, zien wij o. a. ook uit de voorwaarden, die hij te Middelburg bij het aanvaarden van zijn ambt aldaar stelde, maar hij kon bezwaarlijk weigeren te trekken, waar het vaderland hem riep, te minder dewijl hij daardoor aan eene der bepalingen van de Emdensche Synode ontrouw zou worden, die hij zelf als voorzitter had helpen vaststellen en bekrachtigen, en waarbij de predikanten in den vreemde werden ver-

-----------
1. Men vergelijke voor de gesehiedenis dezer kerken, F. NAGTGLAS a. w. bl. 27, vgg.
2. 'S GRAVEZANDE, a. w. bl. 229. J. W. TtE WATER, Beform. van Zeeland, bl. 401, noemt bij vergissing 8 Mei, als den dag waarop dit geschiedde.
3. Men vergelijke hetgeen hij schrijft in zijn brief van 6 Sept. 1674: "Sunt ex fratribus Franckenthalensibus, qui huc transcurrunt Gandavo, meque invisant, quod mihi sane volupe est, nam hanc ecclesiam prae omnibus aliis, amo." Bijlage B, N° 7.

maand, eene beroeping naar het vaderland toch vooral niet te weigeren. 1. Hoe het zij, hij besloot te vertrekken, maar eerst alleen, terwijl zijne vrouw de zaken in Frankenthal regelen en hem later naar Middelburg zou volgen, indien zijne voorwaarden door de gemeente aldaar werden goedgekeurd. Hoe hebben wij nu te denken over het bericht, dat wij bij HOOGSTRATEN, KOK e. a. vinden, en dat ook TE WATER vermeldt, zonder het echter vast te durven verzekeren, dat VAN DER HEYDEN door Keurvorst FREDERIK VAN DE PALTZ tot hofprediker van diens zoon CHRISTOFFEL werd aangesteld en dezen vergezelde op zijnen tocht naar de Nederlanden, waar hij met de Graven LODEWIJK en HENDRIK VAN NASSAU op de Mookerheide den dood vond. 2. TE WATER voegt er bij, dat er te Middelburg tijding kwam "dat Mr. GASPAR voorzeker met Graef LODEWIJK en de andere geconfedereerde Heeren was opgezeeten om in den krijg te trekken." 3. Het is niet waarschijnlijk, dat

------------
1. Dit artikel, het 55ste., luidt aldus: "De Kercken-Dienaren, geboren uit Nederlant, die zig in vreemden kerckendienst hebben begeven, zo zy wederom van de Nederlantsche kercken geroepen werden, sullen neersticheyt doen, datse die beroepinghe volgen, haren kercken een sekeren tyt bestemmende, in welcken sy haer met anderen kercken-dienaren versien moghen. Ende die zig noch aen niemandt verbonden hebben, salmen vermanen, datse hare vryheit behouden, opdatse connen volgen, zo se beroepen werden." HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 72.
2. HOOGSTRATEN siert de zaak nog eenigzins op, en vermeldt, dat HEIDANUS met moeite ontsnapte op een paard, dat zun meester verloren had, en blootshoofds naar Holland en van daar naar Zeeland vluchtte.
3. J. W. TE WATER, Ref. van Zeeland, bl. 401.

dit bericht in de wereld zou zijn gekomen, zoo er althans niet eenige waarheid aan ten grondslag lag. Ik stel mij de zaak aldus voor. Zeer waarschijnlijk is het dat VAN DER HEYDEN, alvorens zich naar Zeeland te begeven, eerst naar Heidelberg vertrokken zij, om den Keurvorst verlof te vragen tot het aannemen van de beroeping, die hij uit Middelburg had ontvangen. Wij weten toch, dat de predikanten in de Paltz zeer afhankelijk waren van den Keurvorst, die hen aanstelde, hun waarschijnlijk grootendeels het traktement deed uitbetalen en hen ook weder uit hunne bediening moest ontslaan. In Heidelberg kan de keurvorst de betrekking van hofprediker bij den jongen Hertog aan VAN DER HEYDEN hebben opgedragen, of misschien bood deze zich zelf daartoe aan, daar hem tevens daardoor eene geschikte gelegenheid werd aangeboden, om naar Holland te reizen. 2. Na den treurigen afloop van dezen veldtocht, heeft VAN DER HEYDEN dan alleen zijne reis moeten voortzetten en is denkelijk in Mei of Juni te Middelburg aangekomen. 3. Na een paar predikatiën te hebben gehouden,

--------------
1. Vgl. den brief van de gemeente van Frankenthal aan ARNOLDUS CORNELII, van 1573, waar wij lezen: "Ende verder en is hij (nl. CORNELLII) oock van onsen genadigsten Heere Hertoghe FREDERIK, Paltsgraue, Churfurst etc, niet losgelaten, dan op het goet bedencken onser gemeynten, gelyck ons geschreuen is." Bijlage B. N°. 3.
2. Wij weten, dat het ook in het plan van Graaf LODEWIJK lag, om naar Holland te trekken en zich aldaar met Prins WILLEM te vereenigen, toen hij bij Mook onverwachts in zijn verderen voortgang gestuit werd. Vgl. VAN VLOTEN, Nederlands Opstand tegen Spanje, II, bl. 152.
3. Indien onze gissing juist is, dan was zijne aanstelling tot hofprediker bij Hertog CHRISTOFFEL ook alleen voor den tijd van de reis naar

verzocht hij den 8sten Juni om eene buitengewone kerkeraadsvergadering, waarin hij zijne brieven toonde en de volgende voorwaarden stelde: 1° dat, indien Middelburg al mocht voorzien zijn, hij gaarne naar Frankenthal wilde terugkeeren; 2° gaf God opening in Antwerpen, dan keerde hij liever daarheen weder; 3° ook wilde hij vrijheid hebben om te vertrekken, indien hij in deze landen door kerkelijke twisten of om eenige andere reden niet aarden kon, en 4° ook indien de Frankenthaalsche kerk om wettige redenen hem terug eischte. 1. De kerkeraad, die VAN DER HEYDEN gaarne hebben en behuoden wilde, trachtte hem te bewegen deze voorwaarden te laten varen, doch daartoe liet hij zich niet vinden. Tevens meldde hij dat TAFFIN hem gebeden en bevolen had, niet alleen om ten bestemden dage bij de weldra te houden Synode tegenwoordig te zijn, maar eenige dagen vroeger bij hem te komen, daar hij verschillende zaken met hem wilde verhandelen. Dit werd goedgevonden, terwijl de Staten het noodige geld tot de reis verschaften. Als ouderling "tot Mr. GASPARS behulp ende beraetsaemheit" werd hem JAN D'HOORNE 2.

---------
Holland; ware zij voor langer geweest, dan had waarschijnlijk de Keurvorst er wel melding van gemaakt in een zijner brieven. Daarin komt echter niets aangaande deze zaak voor.
1. J. W. TE WATER, Reform. van Zeeland, bl. 402.
2. Deze was een broeder van den predikant GELEIN D'HOORNE, en met hem in ballingschap geweest. Den 8sten Maart 1574 was hij tot een der leden van het provisioneel consistorie benoemd. Later, in Augustus, tot ouderling verkozen, werd hij niet aangenomen, daar zijn ambt, dat door velen gehaat was, (hij was namelijk chercher van de schepen) hem en het consistorie misschien in oneer zou brengen. NAGTGLAS, a. w. bl. 110.

toegevoegd. Zoo spoedig mogelijk vertrok VAN DER HEYDEN dan ook naar Dordrecht, alwaar van den 16den tot den 28stcn Juni de Synode der kerken van Holland en Zeeland gehouden werd. 1. Hij werd er tot Voorzitter benoemd, en zijn vriend en vroegere ambtgenoot CORNEILII tot Scriba. TAFFIN was in die dagen hofprediker bij den Prins VAN ORANJE, die in November van het vorige jaar tot de Gereformeerde religie was overgegaan, en het is dus te begrijpen, dat hij voor de opening der Synode met VAN DER HEYDEN nog eenige zaken afzonderlijk wilde verhandelen, die hij wellicht eerst met den Prins had besproken en waarover deze zijn wil of begeerte had kenbaar gemaakt. TAFFIN had zich ook veel moeite gegeven, om deze Synode tot stand te brengen; reeds in Februari 1574 was hij er mede bezig en spoorde de overige predikanten er toe aan.' Dat TAFFIN VAN DER HEYDEN "bevelen" kon, moeten wij verklaren uit zijne betrekking bij den Prins VAN ORANJE; wij kunnen hieruit tevens bemerken, dat deze Synode werkelijk met goedkeuring van den Prins is gehouden. 3
Ongeveer in de helft der maand Juli keerde
VAN DER HEYDEN naar Middelburg terug, waar hij nu zijn dienst

------------
Men zie over deze Synode, de eerste op vaderlandschen bodem, Dr J. J. VAN TOORENENBERGEN, "De eerste Synode der Gereformeerde Kerk in Holland en Zeeland," in "Voor Drie-Honderd Jaren"; verder c. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 83. vgg.
2. Dr. C. SEPP, "Drie evangeliedienaren uit den tijd der hervorming," bl. 34.
3. Hoezeer TAFFIN hoopte dat
VAN DER HEYDEN komen zou, blijkt ook uit een brief, den 20.sten Mei 1574 door hem aan ARNOLDUS CORNELII geschreven, waarin wij lezen: Utinam frater noster GASPARUS Middelburgensem vocationem amplcetatur, et Synodo nostrae intersit " M. S.

werk begon. Hij woonde er in de Noordstraat, in het huis van JAN DEN FISCAEL. 1. Den 16den Juli had de eerste openbare belijdenis des geloofs plaats en twee dagen daarna werd het Avondmaal gevierd, waaraan meer dan 300 personen deelnamen; men ziet dus dat de gemeente reeds vrij talrijk was. 2 Op het einde van 1574 was het aantal gemeenteleden geklommen tot 660, vooral door de terugkomst van vele vluchtelingen uit Engeland. Omstreeks denzelfden tijd (Juli 1574) werd op voorstel van VAN DER HEYDEN door den kerkeraad bepaald, dat ieder der predikanten achtereenvolgens een geheel boek des Bijbels zou uitleggen; D'HOORNE kreeg de Handelingen der Apostelen, terwijl VAN DER HEYDEN zelf het evangelie van JOHANNES nam. 2. Des Zondags ten 7 uren werd door D'HOORNE gepredikt, en ten 9 uren door VAN DER

--------

1. NAGTGLAS, De algemeene kerker. van Middelburg, bl. 50.
2. 'S GRAVEZANDE, a. w. bl. 34, en NAGTGLAS, a. w. bl 9. Vgl ook den brief van G.
VAN DER HEYDEN aan ARNOLDUS CORNELII, van 18 Juli 1574 (Bijlage B, N°. 5,) waarin hij schrijit: "Celebravimus hic Sacram Coenam Domini, cum 370 plus minus communicantibus, sane non sine fructu et acdificatione." .
3. In de Synode van Dordrecht was bepaald (art. 40), "dat men aldermeest wt den Nieuwen Testamente den Volcke leeren sal. Het sal oock wel inde vryheit der dienaren staen, wt den Ouden Testament te prediken, doch met raet ende advis des Kerckenraets."
Evenzoo in artikel 39: "Aengaende den Sondaegschen Euangelium, diemen int Pausdom plag te gebruycken, is besloten, datse in de kercken niet en sullen gepredict werden, maer datmen nuttelyck een gants boeck der Heyligher Schrift ordentlyck naer malcanderen wtlegge, opdat de predicatiën, door te vele texten, niet te lang en vlen." HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl 103.

HEYDEN, terwijl des namiddags met de kinderen werd gecatechiseerd. Den 14den Augustus kwam de vronw van VAN DER HEYDEN met hun zoontje uit Frankenthal te Middelburg aan. Zij waren over Antwerpen gereisd, doch de koffers waren den 22sten Augustus, toen VAN DER HEYDEN dit aan CORNELII schreef, nog onderweg. 1. Vóór haar vertrek had zij alles geregeld en ook de zaken van CORNELII bezorgd, terwijl zij zijne boeken naar Wezel had gezonden, vanwaar zij gemakkelijk de plaats hunner bestemming konden bereiken. Uit dezen brief zien wij tevens, dat het tractement van de dienaren in de steden 50 £ bedroeg (ongeveer f 300), benevens eene vrije woning. Dit komt ook overeen met hetgeen daaromtrent in dat jaar door den Prins bepaald werd, die ten stelligste als zijne overtulging had uitgesproken, dat de inkomsten der predikanten niet lager behoorden te zijn dan die der militairen. 2.
Aan het einde van zijn brief, klaagt
VAN DER HEYDEN dat de gemeente te Middelburg zoo langzaam in aantal toeneemt, en dat velen van degenen, die eerst onlangs uit Engeland waren gekomen, daarheen terugkeeren. Dit

-----------------------

1. Bijlage B, N°. 6.
2. Dr C. SEPP. Drie evangeliedienaren, bl. 36. In November l574 werd bij resolutie der Staten van Holland bepaald, dat de jaarwedden der predikanten in de steden hoogstens f 300, en in de dorpen f 200 zouden bedragen, benevens voor ieder vrije woning. De inkomsten der geestelijke goederen zouden daartoe worden gebezigd. HOOYER, Oude Kerkordeningen bl. 88. De predikanten van Dordrecht kregen sedert 1580 nog f 100 meer. SCHOTEL, Kerkelijk Dordrecht, I, bl. 100.

kwam voornamelijk door den overlast, dien de soldaten den burgers aandeden. 1.
Gewoonlijk schrijft
VAN DER HEYDEN niet veel over de zaken van den oorlog; in dezen brief vermeldt hij echter, dat door sommigen de Spaansche vloot geacht werd te naderen en dat de schepen der onzen bijna allen gereed waren, terwijl door den omroeper was, bekend gemaakt, dat allen, die als "vrijbuyteren" wilden dienst nemen, naar VLISSINGEN moesten komen. Dit was de vloot die, door BOYSOT aangevoerd, den 18den September tot ontzet van Leiden aan kwam zeilen en, nadat het land onder water was gezet, zulke voortreffelijke diensten aan de belegerde stad bewees. 2. In het begin van September werd er in Middelburg een vast- en bededag gehouden, vooral met het oog op Leiden, dat "in summa oppressione" was, gelijk VAN DER HEYDEN schrijft. 3. In Delft waren zij daarin voorgegaan. Toen de blijde tijding van het ontzet van Leiden te Middelburg kwam, in den avond van den 4den October, werd op bevel van den gouverneur BOYSOT door VAN DER HEYDEN in de Westmonster

-----------------

1. Men vergelijke ook hetgeen hij den 6 Sept. 1574 schriift: "cives paulatim et lente festinantes aceedunt, suffusi magnis oppressionibus a militibus et actionibus; perpauci inveniuntur, qui convertuntur ad eum, a quo castigantur." Bijlage B. N°. 7.
2. Vgl. MOTLEiY, the Rise of the Dutch Republic, II, p. 472 en Dr. J. VAN VLOTEN, Nederlands Opstand tegen Spanje, II, bl. 184.

"Uit Zeeland kwam tot onser baten,
BOISOT, den vromen Capitein,
Met bootsgesellen en soldaten,
Wel zevenhondert, groot en klein."

3. Bijlage B. No 7

eene dankzegging gedaan, waartoe het volk door het gelui der klokken van alle zijden te zamen geroepen werd. 1. Door de vrij geregelde correspondentie tusschen VAN DER HEYDEN en CORNELII, zijn wij vrij goed op de hoogte van hetgeen er gedurende dezen tijd met den eerstgenoemde voorviel. Het zoude te lang ophouden, zoo ik hier al de bizonderheden uit die brieven wilde vermelden; velen zijn bovendien van te particulieren aard, dan dat zij ons nog even veel belang zouden kunnen inboezemen, als aan hem, voor wien zij bestemd waren; toch zijn brieven altijd zoo veel waard, daar zij ons meer dan iets anders in staat stellen eenen blik te slaan in het het karakter van den schrijver, terwijl zij ons met de omstandigheden van zijn dagelijksch leven bekend maken. Eene korte zinsnede, eene kleine bizonderheid, die ons bij den eersten aanblik weinig of niet belangrijk voorkomt, blijkt bij nadere overweging ten volle onze aandacht te verdienen, daar zij dikwijls nienw licht over het een of ander verspreidt. Slechts hier en daar wensch ik dus eene greep te doen, om wat mij voorkomt het belangrijkste te zijn, te doen uitkomen. Er was bepaald, dat de predikanten, ouderlingen en diakenen de geloofsbelijdenis en de artikelen der Emdensche en Dortsche Synoden zouden onderteekenen; naar het schijnt hadden de ouderlingen der gemeente van Delft dit geweigerd, waarover VAN DER HEYDEN zich verwondert. Hij geeft aan CORNELII den raad, om aan TAFFIN daarover te schrijven en te zien wat het beste was, óf de zaak een tijdlang te laten gaan, óf op de onderteekening aan te dringen "nam est res malae consequentiae, quod aliqui nolunt

---------

1. J.W. TE WATER, Reform. van Zeeland, bl. 403.

subscribere iis, quae eorum nomine sunt constituta." 1. In een zijner volgende brieven komt hij op deze zaak terug en schrijft: "nostri seniores et diaconi confessioni et articulis Synodi subscripserunt; vestros idem facere optarem; qui autem nunc subscribere confessioni attramento recusant, quomodo sanguine proprio obsignarent?" 2. Uit deze woorden blijkt duidelijk hoe VAN DER HEYDEN (en zeker hij niet alleen) die onderteekening der geloofsbelijdenis verstond. Het was een van harte instemmen met de eeuwige waarheden die daarin werden geleerd, en een verklaren tevens, dat men bereid was die waarheid met zijn bloed te bezegelen, iets wat in die dagen waarlijk geen ijdele klank was. Zóó had VAN DER HEYDEN zelf haar vroeger onderteekend en hij had bewezen dat het hem met die onderteekening ernst was geweest. Hoe velen van hen, die thans de geloofsbelijdenis onderteekenen, zouden bereid zijn haar ook "proprio sanguine obsignare" ? In zijnen brief van 16 October 1574 2. bespreekt VAN DER HEYDEN met CORNELII, wien de gemeente van Delft tot opvolger zoude beroepen van haren ontslapen leeraar COPINUS. Hij beveelt vooral den edelen THOMAS VAN TIL 4. aan, maar twijfelt er toch aan, of deze zal willen komen, daar hij gelooft dat VAN TIL liever de gemeente van Antwerpen zal willen dienen. In een

-----------

1. Bijlage B. N°. 7.
2. Bijlage B. N°. 9.
3. Bijlage B, No. 8.
4. Men zie over dezen merkwaardigen man: JANSSEN Kerkherv. in Vlaanderen, I. bl. 71, en zijn uitvoerig 1evensbericht bij TE WATER, Historie der Hervormde Kerk te Gent. bl,. 250-270.

volgenden brief hooren wij, dat TILIUS beroepen is, daar VAN DER HEYDEN schrijft: "vos vocasse Dominum TILIUM intelligo, vestrumque studium et diligentiam magnopere laudo, sed eum venturum vix credo; noris enim quam fixe sedem in Schriesheim posuerit. Dominus moveat cor ejus, ut non sibi, sed Deo et Ecclesiae viuere et inseruire valeat." Dit bericht omtrent ziin verblijf te Schriesheim (een klein stadje in de Paltz, in de nabijheid van Heidelberg) is daarom zoo belangrijk, omdat juist tot heden niet bekend was waar TILIUS zich had opgehouden, sedert hij in 1567 predikant te Haarlem was, totdat hij in 1575 het leeraarsambt te Delft aanvaardde. 2. Waarschijnlijk is hij dus, eer het beleg van Haarlem een aanvang nam, naar de Paltz geweken en heeft in Schriesheim het Woord verkondigd, totdat hij naar Delft geroepen werd. Hij nam dit beroep aan en in Februari van het volgend jaar (1575) hooren wij VAN DER HEYDEN zijnen vriend ARNOLDUS met de komst van zijnen nieuwen ambtgenoot geluk wenschen. 3. Ik heb dit voorbeeld hier aangehaald, om te doen zien hoe deze brieven ons dikwijls zijdelings helpen, om de levensgeschiedenis ook van andere beroemde personen uit die dagen samen te stellen. Iets dergelijks vinden wij in een brief van 3 Sept. 1577. 4 Daar

----------

1. Bijlage B. N°. 9.
2. Vgl. TE WATER Hist. der Herv. Kerk te Gent, bl. 259 en JANSSEN a. w. 1. bl. 72: "In 1567 nog was hij predikant te Haarlem, natuurlijk in 't geheim. Hierna schuilt hij eenige jaren in het duister. Eerst in 1575 zien wij hem optreden als predikant te Delft."
3. "Gratulor tibi propter aduentum Domini TILII; habebis sane collegam bonum, integerrimum et strenuum symmystam. Deus benedicat laboribus." Bijlage B. N°. l8.

lezen wij: "HERMANNUS MODED, ut mercenarius, ecclesiam suam cui erat obligatus reliquit, ac hinc, illinc vagatur, quod illis summopere displicet, sicuti ex eorum literis intelligimus". Tot nu toe wist men alleen, dat hij gedurende dien tijd in Engeland verblijf had gehouden, en vermoedde men, dat hij aldaar als vast leeraar te Norwich was werkzaam geweest, maar van dat heen en weder zwerven was niets bekend. Dit bericht komt met zijne woelzieke natuur beter overeen.

Keeren wij nu tot de Middelburgsche gemeente terug. Het jaar 1574 was ten einde geloopen, zonder veel belangrijks meer op te leveren; in het begin van November was er nog een vastendag gehouden, doch met welk bizonder doel, heb ik niet kunnen nagaan. 2. In Januari van het volgend jaar kwam de Prins in Middelburg met TAFFIN, die den "Coetus Zelandiae," aldaar in die maand gehouden, bijwoonde en de vergadering o. a. aanmaande, zich in het houden van avondmalen, bedestonden enz, naar den wensch der overheid te schikken. 3 In het begin van de maand Februari vertrokken zij weder naar Delft. Van dezen zelfden tijd dagteekent een brief van VAN DER HEYDEN, waarin hij schrijft dat hij al zijne boeken verloren heeft. Waarschijnlijk waren dezen verongelukt op de reis tusschen Frankenthal en Middelburg. Nu verzoekt hij zijn vriend

--------------
1. Vgl Dr. BRUTEL DE LA RIVIÈRE, Leven van H. MODED, bl. 35.
2. Deinde nos praeterita septimana jejunium celebrauimus, magno cum fructu. Deus exaudire preces suorum dignetur, ut omnia ad ipsius gloriam tendant." Bijlage B. No. 9.
3, Men vergelijke: Dr. C. SEPP' Drie Evangeliedienaren, bl.37. Het is opmerkelijk dat reeds zoo vroeg de benaming "coetus" voor de vergadering der Zeeuwsche Kerkelijken gebruikt werd. Zie over den "Coetus Zelandiae" van later tijd: W. A. BACHIENE:, KerkeL Geographie, III. bl. 1. vgg.

ARNOLDUS om voor hem eenige werken van CALVIJN en BEZA uit de nalatenschap van Ds. COPINUS, terug te koopen. 1. Tegen het einde van Mei 1575 vertrok VAN DER HEYDEN naar Dordrecht, waar zich toen het hof bevond en dus ook TAFFIN, met wien hij "over de bezwaren der kerk moest handelen" gelijk TE WATER ons meldt. 2 Den 11den Juni werd te Brielle eene declaratie uitgevaardigd, door vijf predikanten, waaronder ook TAFFIN en VAN DER HEYDEN, onderteekend, waarbij het huwelijk van Prins WILLEM met CHARLOTTE: DE BOURBON voor volkomen wettig werd verklaard. 3. Waarschijnlijk dus stonden hier mede die "bezwaren" in verband. Het huwelijk werd den 12den Juni, eveneens in den Briel gesloten, waarheen de bruid door MARNIX was geleid. 4. Eerst in het begin van Juli is VAN DER HEYDEN naar Middelburg teruggekeerd, gelijk wij uit een brief van hem aan CORNELII, den 8sten dier maand geschreven, vernemen. 5 Deze laatste had gedurende VAN DER HEYDEN'S afwezigheid Middelburg bezocht, en de beide vrienden hadden elkander dus misgeloopen, hetgeen de schrijver zeer betreurt. Veel belangrijks komt er verder in dezen

---------

1. Bijlage B. N°. l0.
2. Reform. van Zeeland, bl. 403.
3. Deze declaratie is te vinden bij GROEN VAN PRINSTERER, Archives de la Maison d'Orange, v. page 223. De overige drie onderteekenaren waren: J. MICHAEL, THOMAS TILIUS en JAN MIGGRODIUS' predikanten te Dordrecht, Delft en Veere.
4. MOTLEY, the Rise of the Dutch Republic, III, P.21.VAN VLOTEN. Nederlands Opstand tegen Spanje, H, bl. 215.
5. Bijlage B. N°. 11.

brief niet voor, behalve de mededeeling, dat de gemeente den 6den Juli weder een vasten gehouden heeft, daar men algemeen eenen hevigen vijandelijken aanval op Zeeland verwachtte. 1. Daarvan is echter in werkelijkheid niets gekomen. Kort dsarop verloor de Middelburgsche gemeente haren ouden leeraar GELEIN D'HOORNE. Reeds sedert lang was deze ziekelijk geweest verscheidene malen hooren wij VAN DER HEYDEN in zijne brieven daarover klagen, 2 en thans overleed hij den 23sten Juli.8 Hij had getronw en ijverig gearbeid, zoolang het hem mogelijk was geweest, doch reeds in den aanvang van het vorige jaar was de behoefte aan een derden predikant dringend gevoeld. Eerst had men zich tot DATHENUS en later tot GERARD VAN CULEMBORG gewend, doch te vergeefs. 4 In September 1574 werd besloten JOHANNES BOREEL te beroepen. Deze predikte in Middelburg op den 17den October en werd den 12den Juni van het volgend jaar tot vast predikant verkozen. Hij werd eerst den 5den April 1576 bevestigd, maar

-----------------

1. Exspectamus indies hostem, qui multis navibus, immo omnibus viribus instructus, nos vult oppugnare. Deus destruat ejus conatus, nosque liberet ex manibus ejus. In een volgenden brief (Biilage B. NO, 12) meldt hij dat de Vlissingsche vrijbuiters reeds zeven rijkbeladen vijandelijke schepen hadden bemachtigd.
2 Men zie Bijlage B. N°. 7. `"Ceterum ego certe valeo; sed hic solus fere omnia onera sustinco, quoniam collega valetidunarius est et claudicus."
3 "NOS amisímus nostrum GYSLENAM collegam meum ante 7 dies ita ut jam solus onera totius Ecclesiae sustineo." Bijlage B. N°. 12. Reeds den 24sten werd hij begravem. 's GRAVEZANDE, Middelburgsche Vrijheid, bl. 442.
4. F. NAGTGLAS, a. w. B1. 110

schijnt toch vóór dien tiid VAN DER HEYDEN reeds nu en dan in den dienst geholpen te hebben, ten minste na het vermelden van den dood van zijn ambtgenoot schrijft deze: "BORELIUS, me juvat, quem pro tertio ministro decrevimus habere," 1. terwijl hij ook reeds vroeger een paar malen zijnen naam vermeldt op eene wijze, die ons zoude doen vermoeden, dat BOREEL toen reeds in Middelburg werkzaam was. 2. Slechts zeer kort heeft de gemeente zich in het bezit van haren nieuwen leeraar mogen verheugen. Reeds in den aanvang van 1577 overleed hij, tot groote droefheid ook van VAN DER HEYDEN, die in hem veel verloor, gelijk blijkt uit de woorden waarmede hij aan CORNELII den dood van BOREEL bericht: "nos amisimus magno cum dolore et Ecclesiae nostrae damno, BORELIUM nostrum, juvenem sane doctum, pium et diligentem." 3 Tot aan de bevestiging van BOREEL bleef VAN DER HEYDEN alleen den dienst waarnemen; te vergeefs had men de Delftsche gemeente aangezocht, voor eenigen tijd een

-------------
1. Bijlage B. N°. 12.
2. Bijlage B. N°. 11.
3. Bijlage B. N°. 17. Men zie ook wat
VAN DER HEYDEN over hem aan VAN TIL schrijft, kort na de bevestiging van BOREEL: "Wij hebben JOANEM BORELIUM hier inder stadt beroepen; de Heere gheeft hem daghelijckschen wasdom in syner gauen, so dat hem niet schijnt tontbreken dan actatem." Bijlage B, N°. 14. Men vergelijke verder over BOREEL, TE WATER, Reform. van Zeeland, bl. 108 en 181. Hij was ook een van de "adellijke" predikanten van die dagen. Zijn vader, PIETER BOREEL, werd door ALVA gebannen en stierf te Norwich in 1568, terwijl diens zoon (de oudste broeder van JOHANNES) JACOB BOREEL, heer van Westhoven en Duinbeke, meermalen burgemeester van Middelburg is geweest, en gezant bij JACOBUS I van Engeland, door wien hij ook tot Ridder geslagen is.

predikant aan Middelburg te willen uitleenen, gelijk dat in die dagen meermalen geschiedde; dit verzoek was geweigerd. Daarop schreef men naar Engeland om eenen leeraar, en wel om VAN DER HEYDEN'S vroegeren ambtgenoot te Antwerpen, GEORGIUS SYLVANUS, 1. die sedert 1569 predikant te Londen was, doch deze verontschuldigie zich "om sijne geduerige swackheyt. 2. Weinige maanden later kwam de tijding van zijnen dood te Middelburg aan. De gemeente liet toen het oog vallen op JOANNES SEU die, gelijk VAN DER HEYDEN wist, reeds sedert lang begeerde aldaar te komen 3 en dan ook de beroeping, die den 29sten Juni op hem werd uitgebracht, aannam en in December van dat zelfde jaar bevestigd werd. Hij wordt genoemd als iemand, "die zich in des Heeren wijngaard zonderling gekweten heeft," en heeft de Middelburgsche gemeente tot aan zijnen dood in 1613 gediend, terwijl hij bekend staat als een hevig tegenstander der Doopsgezinden, die hij niet alleen

-----------

1. Exspectamus indies vel responsum ex Anglia, vel ipsum GEORGIUM SYLVANUM." Brief van 23 Maart 1576. (Bidlage B, No. 13 )
2. Bijlage B, N°. 14. Men vergelijke ook de "Geschiedenissen ende Handelingen, die voornemelick aengaen de Nederd. natie ende Gemeynten in Engeland, door SIMEON ROYTINCK, enz." in de Werken der MarnixVereeniging III, I' bl. 119, alwaar wij zijn doodsbericht vinden: "Alhier (in Londen) is in den Heere ontslapen GEORGIUS WYBOTIUS, alias SYLVANUS, die ettelycke jaren een treffelyck 1icht in dese Gemeente gheweest is, den 24 Junii 1576, tot groote droefheyt der vromer Christenen alhier, die hem met groote menichte in syn cranckheyt quamen besoecken ende met veel tranen, gestorven synde, begraven hebben.
3 Bijlage B, N°. 8. "JOANNES SEU fuit Antverpiae; vellet apud nos esse; jamdiu est ex quo obivit munus ecclesiasticum in Meurs meliusque concionatur quam solebat.''

met woord en daad, maar ook in vele geschriften bestreden heeft.' Van het tijdsverloop tusschen 14 Juli en 10 December 1576 zijn ons geene brieven van VAN DER HEYDEN bewaard. Waarschijnlijk is hij gedurende dien tiid rustig in Middelburg zijn dienstwerk blijven waarnemen. Op andere plaatsen was het minder rustig geweest. Gewichtige gebeurtenissen hadden er in het politieke, vooral in de laatste maanden des jaars plaats gegrepen. De 4de November was de datum van de verschrikkelijke Spaansche Furie te Antwerpen, daags te voren reed Don Juan van OOSTENRJK de straten van Luxemburg binnen, en den 8sten van dezelfde maand werd de pacificatie van Gent gesloten. De Prins bevond zich in het najaar van 1576 te Middelburg, waar hij tot in het volgend voorjaar bleef. Geheel Zeeland was nu ook door de Spanjaarden ontruimd, nadat MONDRAGON in het begin van November de stad Zierikzee, die met zooveel moeite genomen was, aan HOHENLO had moeten overgeven. Ook voor de Paltz was dit najaar gewichtig geweest. Den 26sten October toch was de Keurvorst FREDERIK III te Heidelberg ontslapen, en nu was het voor de Gereformeerden van zijn gebied, die in hem steeds hunnen beschermer gevonden hadden, de groote en angstige vraag: zullen wij onzen godsdienst hier vrijelijk mogen blijven uitoefenen, of zal ons het verblijf in dit land verder ontzegd worden? En die vrees was niet ongegrond. LODEWIJK namelijk, de oudste zoon van den Keurvorst, ijverde even sterk voor de Luthersche Kerk als zijn vader voor de leer van CALVYN geijverd had. 1.

--------------

1. Men zie verder over J. SEU: TE WATER, Reformatie van Zeeland, bl. 181-183.

en men begreep dat onder diens beheer het vonnis der Gereformeerde gemeenten geteekend zoude zijn. De andere zoon, JOAN CASIMIR, was Calvinist en daarom ook de lieveling van zijn vader; deze was ook tegenwoordig geweest bij den dood van den Keurvorst, terwijl LODEWIJK in Amberg gebleven was, alwaar hij zijne residentie had. Men hoopte, en er waren er die dit ook ver wachtten, dat JOAN CASIMIR een gedeelte van de Paltz als apanage zoude krijgen, welk deel dan natuurlijk tegen de aanvallen der Luthersche partij beveiligd zou zijn. Wij kunnen ons voorstellen dat ook VAN DER HEYDEN 2. zeer getroffen is geweest door het overlijden van den Keurvorst, zijnen vroegeren vriend en beschermer, en dat ook hij bezorgd was voor die gemeenten in de Paltz die hem nog steeds zoo na aan het harte lagen. Wij zien dan ook uit zijne brieven van dien tijd, dat hij zeer met deze zaken bezig was. ln December schreef hij aan CORNELII dat alles nog in goeden staat verkeerde, daar Graaf LODEWIJK nog niet in Heidelberg was aangekomen, 3 . maar reeds den 11den Januari van het volgend jaar

-------------

1. AUG. , FRIEDRICH der Fromme, II. s. 452.
2. J. W. TE WATER, waar hij op bladzijde 409 van zijne Reformatie van Zeeland, de literarische nalatenschap van
VAN DER HEYDEN vermeldt, voegt er nog bij: "Behalven deze geschriften wordt nog vermeldt, Christelijke Confessie van FREDERIK DE DERDE, Paltzgrave bij den Rhijn, den 26 October 1576 daer op in den Heere ontslapen, overgezet door CASPARUS HEIDANUS, Dordrecht 1577, in 8º, welk werkje zoo zeldzaam is, dat men het nergens weet te vinden en alleen uit den catalogus van LE LONG, N°. 1647, bekend is." Het is mij even min mogen gelukken dit boekje te ontdekken.
3. "Nondum accepi literas ex Germania, ex quo bonus ille Princeps Palatinus obiit. Intellecti autem ex Domino ZULEGERO et aliis, omnia esse.

moest hij minder gunstige berichten geven: "Status Ecclesiarum in Palatinatu non est ex sententia piorum. NOVUS Elector fere omna turbat; ablegavit OLEVIANUM deposuit Senatum ecclesiasticum, prohibuit nostros ministros posthac concionare in templo S. S. Elector rursus profectus est in superiorem Palatinatum. Ecclesia Franckenthalensis vivit adhuc quiete, et in locum fratris substitutus est DUX CASIMIRUS, donec redierit. Sunt qui putant Electorem defunctum condidisse ditionem Neostadiensem CASIMIRO; si hoc ita esset, Ecclesia Franckenthalensis maneret salva." 1. CASIMIR had werkelijk Neustadt en Lautern tot erfdeel ontvangen, zoodat Frankenthal niet slechts ongemoeid bleef, maar weldra een toevluchtsoord werd voor de Gereformeerden, die LODEWYK uit zijn gebied had verdreven. 2.
De Middelburgsche gemeente was in de drie jaren, waarin zij zich vrijelijk had kunnen uitbreiden, zeer toegenomen, doch het aantal leeraars, dat na veel moeite, sedert de bevestiging van JOHANNES SEU, tot drie geklommen was, was na ééne maand door het overlijden van BOREEL weder op het oude getal van twee teruggebracht. Daarom wendde men weder het oog naar Engeland, om te trachten eenen der daarheen uilgeweken leeraars, in het vaderland terug te krijgen. Reeds vroeger, bij de beroeping van SYLVANUS, had men in Engeland zich bereid verklaard iemand te zenden, maar de Middelburgsche ge

----------

adhuc in bono statu, Comitem LUDOVICUM nondum descendisse, etc, " Bijlage B, No. 16.

1. Bijlage B, N°. 17.
2. Men verg. Dr. L. HAUSSER, Geschichte der rheinischen Pfaltz. s. 95.

meente was niet gezind af te wachten wie tot haar zou komen, maar wilde liever zelve eene keus doen. ' Tot dat doel werd VAN DER HEYDEN op het einde van Januari 1577 naar Engeland gezonden. HIJ kreeg geloofsbrieven mede van den kerkeraad en de overheid der stad Middelburg, terwijl ook MARNIX VAN ST. ALDEGONDE, die zich sedert het najaar van 1576 met den Prins aldaar bevond, een aanbevelingsbrief voor hem schreef aan de Nederduitsche Gereformeerde gemeente te Londen, waarin hij sterk aandrong dat deze het verzoek van Middelburg niet zou afslaan en haar aan het einde de verzekering gaf, dat ook de Prins haar daarvoor dankbaar zou zijn. Dezo brief van MARNIX is gedateerd van 27 Januari, zoodat wij mogen veronderstellen, dat VAN DER HEYDEN omstreeks dien tijd uit Middelburg vertrokken is. Hij bleef in Engeland denkelijk tot het einde van Februari, daar hij in de eerste week van Maart weder in Middelburg terug was. Zijne zending was niet vruchteloos geweest. Te Norwich had hij in MICHIEL PANEEL iemand gevonden, geschikt en bereid het leeraarsambt te Middelburg te aanvaarden, en bij zijn terugkeer stelde hij dezen vrijmoedig aan den kerkeraad voor. PANNEEL werd den 13den April beroepen en den 3den November

-------------

1. "SYLVANUS ontschuldicht hem op sijne geduerige swackheyt; hy wilde wel dat wy in genere schrijven wilden om eenen minister, sy souden ons eenen senden wt harer collegie, maar wy sijn also niet gesint " Bijlage B. N°. I4.
2. Deze brief is uitgegeven door Dr. J.J. VAN TOORENENBERGEN, in het Aanhangsel op PHILIPS VAN MARNIX Godsd. en Kerkel. Geschriften, bl. 43.

bevestigd, en bleef tot zijn dood in 1604, ijverig in de gemeente werkzaam. 1. Niet tot de Middelburgsche gemeente en het behartigen van hare zaken alleen, bepaalde zich de werkzaamheid van GASPAR VAN DER HEYDEN gedurende zijn verblijf in die stad; ook waar het gold de belangen der geheele Kerk voor te staan, werd zijne medewerking dikwijls gevraagd en nooit te vergeefs ingeroepen. Wij zagen reeds hoe hij, korten tijd na zijne komst in Middelburg, geroepen werd de Synode van Dordrecht in 1574 te leiden, en thans weder vinden wij hem als "beleider" der kerkvergadering, die vier jaren later in dezelfde stad zou gehouden worden. "Door de Pacificatie van Gent en door afsterven des grooten Commandeurs, doen Goeverneur der anderen Nederlanden, is het geschiet, dat niet alleen in Hollandt en Zeelandt het Pausdom meer afghestelt werde, de Predicatie des Euangelii toenemende, maer dat oock de goede Ondersaten in Brabant, Vlaenderen, Gelderlandt, Vrieslandt,

------------------

1. Men zie over hem J. W. TE WATER, Reformatie van Zeeland, bl. 183.vgg. Niet de belangen van Middelburg alleen had VAN DER HEYDEN in Engeland behartigd. JOHANNES CUBUS, die geruimen tijd in Londen het Woord had verkondigd, werd door zijne bemiddeling voor Antwerpen verkregen. Men vergelijke SIMEON RUYTINCK, Geschiedenissen ende handelingen, enz." in de Werken der Marnix-Vereeniging III ,I.I,bl.133, alwaar wij omtrent VAN DER HEYDEN'S komst te Londen het volgende vinden: "Den waren Godsdienst wierd door de voorgenoemde Pacificatie in Nederland zeer verbreydet. Men ontbood van alle canten Leeraers, om de gemeenten aldaer te planten. CASPARUS HEYDANUS, Leeraer tot Andwerpen (lees: Middelburg), quam alhier tot dien eynde, ende vercreegh van hier CUBUM, Leeraer deser gemeente, met conditie van hier weder te mogen keeren, zo den nood der gemeente sulex verhiesch."

int Sticht van Utrecht, int land van Overijssel, etc. na der waerheyt hebben beghinnen te haecken: waer over tot eenige plaetsen gantsch openbaerlick, inden anderen, hoe wel noch heymelick in den huysen, nochtans met groote vergaderinghe van volck, ende genoech by weten ende consent van den Overheden, Godts Woord gepredikt is worden. Is daeromme raetsaem en noodich geacht, om veelderley voorvallende oirsaken, en voornemelick opdat de niewe Christelicke Ghemeynten inde voorgaende Provinciën opgericht en op te richten, inde reyne leere ende ghelyckformighe bedieninghe, als in Hollandt en Zeelandt ghestichtet ende soveel moghelick met trouwen Predicanten besorget souden worden, wederomme eene Synode te houden, daer niet alleen verschijnen souden de Predicanten en Ouderlingen ghedeputeert uit allen Classen in Hollandt en Zeelandt, maer oock uit allen den voorgenoemden Provinciën, en van gelycken uit den Kercken, die inde Nederlantsche en Walsche sprake in vreemden lande (duerende de strenghe vervolghinge) vergadert waren." l. Met deze woorden verklaart de Provinciale Synode van Haarlem (1582) in haar "Cort, eenvoudich ende waerachtich verhael" de aanleiding en het doel der Nationale Synode, die van den 2den tot den 18den Juni 1578 in de stad Dordrecht gehouden is. Van de wenschelijkheid eener nieuwe Synode was men dan ook reeds in het vorig jaar diep overtuigd. Op de classicale vergadering in het najaar van 1577 te Gouda gehouden, was deze zaak ter sprake gebracht en had men een brief aan de classis van Walcheren gericht, om haar

--------

HOOYER, Oude kerkordeningen, bl. 138.

gevoelen te hooren over het voornemen, nog in datzelfie jaar eene Provinciale Syode te doen plaats hebben. Het antwoord dat deze classis, door bemiddeling van GASPAR VAN DER HEYDEN, op deze vraag gaf, is ons bewaard gebleven. In een brief toch van 20 September 1577, 1. gericht "aen den eersamen CHRISTIANO SYNAPIO 2. predikant te Dordrecht, mitsgaders den anderen ministers vande classe Delft", bespreekt VAN DER HEYDEN uitvoerig de geheele quaestie en geeft op alle punten duidelijk zijn gevoelen en dat zijner ambtgenooten te kennen. Wel betuigen zij hunne instemming met het plan om weder samen te komen, "opdat vele dinghen inder kercken Gods mochten gebetert werden", en verklaren "niet geerne so eene heylige ende Christelycke sake te sullen verhinderen," maar om verschillende redenen achten zij het beter eene Generale Synode te zamen te roepen, en dat wel tegen den zomer van het volgend jaar. Een groot bezwaar is in hun oog allereerst de omstandigheid, dat de winter zoo nabij is, waardoor de onkosten voor hen die van verre komen zooveel hooger worden, terwijl zij in de tweede plaats hunne vrees uitspreken dat "onse tsamencomste van den papistischen (die sulcks sonder twijfe vernemen souden) seer qualyck soude geduydt werden, even als oft wy niet anders dan tegen hen raedtslaegden, daerdoer het beginsel tusschen Syner Excell. ende den Staten moghelyck eenichsins soude connen verhindert, ende derhalven sulcks ons soude moghen qualyck afgenomen werden."

---------------

Bijlage B. No. 19.
2. Men vergelijke over hem: Dr. SCHOTEL, Kerkelijk Dordrecht, I. bl. 111-116.

Eindelijk zijn zij evenzeer bezorgd dat de atwezigheid van den Prins VAN ORANJE 1. hunnen zaken "niet voorderlyck, maer moghelyck seere hinderlyck wesen soude." Om alle deze redenen achten zij het verkieslijker het voorbeeld van Emden te volgen en in den zomer van 1578 te vergaderen. Na in het breede over de wenschelijkheid eener Generale boven eene Provinciale Synode gehandeld te hebben, wordt de plaats, waar deze gehouden zal worden, besproken. De schrijvers zijn er zeer voor dat het in Holland of Zeeland zij, en inzonderheid "in eenighe geleghen plaetse ende die so stille sy alst moghelyc is, dat is, niet al te na by den hove, opdat de vergaderinge van sommigen misgonstigen geenen aanstoot of hindernisse lijde." Het is bekend dat de Synode te Emden bepaald had, dat "de classis van de Paltz den Synodum Generalem soude beroepen." 2. In die van Dordrecht (1574) was deze bepaling herhaald, en besloten "dat de Dienaren van de Classe van de Paltz het Synodum Generalem beroepen sullen, zo haest als sy bevinden sullen dat het nut ende noodich wesen sal, ende bequamelick gedaen sal moghen wesen." 3. Doch sedert dien tijd was, gelijk VAN DER HEYDEN terecht aanmerkt, "hare" (namelijk van

-------

1. In het voorjaar vau 1577 was de Prins uit Middelburg vertrokken en had, na eene reis door de andere Provinciën, zich in het najaar naar Antwerpen en Brussel begeven. MOTLY, the Rise of the Dutch Republic, III. page 224.
2. Particuliere vraag N°. 24. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 79.
3. Slotbepaling achter de particuliere vragen. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 112.

de Paltzisehe olassis) "ende onse eonditie verandert." Inderdaad, terwijl men vroeger de gemeenten uit het vaderland naar den vreemde moest noodigen, kon thans de Generale Synode op eigen, vaderlandschen bodem gehouden worden. Bovendien was de toestand van de Paltz zelf, na den dood van FREDERIK den Vrome, ook een andere geworden en de meeste leeraars, die gedurende zijn leven aldaar hadden gearbeid, waren thans naar de Nederlanden teruggekeerd. Daarom achtte de classis van Walcheren het beter zelve, te zamen met die van Delft, de taak van het bijeenroepen der Synodo op zich te nemen, tcrwijl "de gedeputeerde classen tsamen aan de ouergheblevene kercken inder Paltz conden schryven ende ons van het Emdisch besluit ontschuldigcn." Omtrent de uilvoering van alle deze voorbereidende maatregelen tot het bijeenroepen en houden der Synode bericht ons het hierboven aangehaald "Cort, eenvoudich ende waerachtich verhael" het volgende: "Tselve is dan vooreerst zijne P. Ex. aenghegheven, de welcke dit voornemen goetghevonden en favorable brieven aan de Heeren Staten van Hollandt en Zeelandt geschreven heeft, en hare Edelheden sulcks oock gootvindende, hebben goedtwillichlyck daerinne gheconsenteerd en de stadt Dordrecht benoemt, om den Synodum aldaer te houden, last ghevende eenen Predicant, noch in leven synde, den Synodum ofte ver.gaderinghe teghen het beghin Junii Anno LXXVIII, doen naestcommende uit te schrijven." 1.

--------

1. Geheel onjuist is dus het beweeren van BRANDT (Historie der Reformatie 1. bl. 603), dat "deze Synode sonder wettelyk verlof der Heeren Staten gehouden is.', Op zijn voetspoor beweert ook Dr. LECHLER, "Geschichte der

Op welken predikant de keuze der Staten is gevallen, is niet bekend, doch het is niet onmogelijk dat GASPAR VAN DER HEYDEN de door hen aangewezen persoon geweest is; immers reeds den 5den Februari 1578 werd hij, naar TE WATER ons meldt, "door de Classis gelast naar Holland te reizen, ter bevorderinge van de Nationale Synode, doch den 6den werd die reis uitgesteld wegens Don .JOHANs invallen en den 'beroerden staat." 1. Het is echter even goed mogelijk, dat hij die reis slechts moest ondernemen, om de belangen der classis, die hij vertegenwoordigde, in Holland te behartigen. Den 2den Juni nam de Synode een aanvang. Tot haren voorzitter werd PETRUS DATHENUS verkozen. Deze, des tijds predikant te Frankenthal, was afgevaardigde van de Overlandsche classis en kreeg van den Paltsgraaf JOAN CASIMIR een credentiebrief mede, waarin deze "seinem Kirchendiener und lieben getreuen PETRO DATAENO"

------

Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation," dat zij gehouden is 'ohne Erlaubniss der Generalstaten."
1. Reformatie van Zeeland, bl. 103. Op het einde van Januari was het leger van Don Juan uit Namen opgetrokken, terwijl de Prins zich nog te Brussel bevond, en den lsten Februari had PARMA de Staatsche troepen bij Gemblours geheel vernietigd, welke overwinning door de verovering van verscheidene kleinere steden gevolgd werd. MOTLEY page 208. Wellicht vreesde men toen voor een inval in Zeeland en begreep een gunstiger tijdstip te moeten afwachten.
2. Hiertoe behoorden volgens het 10de Artikel der Synode van Emden: 'Beide de Franckfortsche gemeynten, die Schoonausche, die Franc tot Hcydelbergh, die Franckenthaalsche ende die van St. Lambert." HOOYER, Oude Kerkordenimgen. bl. 132.

verlof gaf de Synode bij te wonen. 1. De reden waarom hem het voorzitterschap werd opgedragen, is niet moeilijk te gissen. Allereerst mogen wij daarin zien eene eerbetooning aan de Overlandsche classis gebracht, en eene soort vergoeding voor de wijze waarop men haar, die de Synode had moeten samenroepen, was voorbijgegaan, doch het was ook eene hulde, die men aan DATHEEN zelven bracht, die in die dagen en om zijnen ijver én door zijne geschriften, algemeen bekend en geacht was. 2. De eereplaats na den praeses, die van assessor, werd, en te recht, aan VAN DER HEYDEN toegekend, die de beide vorige Synoden geleid, en in het beschikken van zuIk een werkzaam aandeel gehad had. Onder de overige vier en twintig leden, die in de vergadering zitting hadden, merken wij ook TAFFIN en ARNOLDUS CORNELII op; deze laatste bekleedde er de waardigheid van scriba. - In deze Synode is herzien hetgeen in de beide vorigen was vastgesteld, zoodat wij hier dan ook dezelfde beginselen als vroeger aantroffen, terwijl eenige bepalingen breeder uitgewerkt en anderen soms een weinig veranderd zijn. Uitvoerig is behandeld al wat op de "regering der kerk"

-------------

1. H.Q. JANSSEN, PETRUS DATHENUS, Een blik op ziijn laatste levensjaren, vooral op zijn twistzaak met ORANJE, bl. 2. De credentiebrief van den Paltsgraaf is te vinden in hetzelfde werk, bl. 103.
2. Men vergelijke wat Dr. TER HAAR aanmerkt in zijn "8pecimen historico-theologicum PETRI DATHENI vitam exhibens" p. 69: "Haud prorsus improbabile est habendum, hujus Synodi socios de tali viro, qualem se in Germania pracstitarat DATHENUS, sperasse fore ut ille, prae ceteteris, jura Ecclesiae ac libertatem antistitum adversus politicus, GULIELMUM imprimis strenue propugnaret."

betrekking heeft, en sommige bepalingen die daarbij gemaakt werden doen ons duidelijk zien, hoe ook deze Synode getracht heeft de kerk vrij te houden van een invloed der Magistraten, die verder ging dan het verleenen van handhaving en onderstenning, 1. Den 22sten Juni werd aan Aartshertog MATTIAS en den Raad van State een gedenkwaardig verzoekschrift ingediend, "par les habitans des Pays-Bas' protestants vouloir vivre selon la réformation de l'Evangile" hetwelk den 7den der volgende maand werd gevolgd door een tweede, eveneens gericht, "à Son Altêze et Messeigneurs du Conseil d'Estat, par les protestans, sur le faict de 1'asseurance en l'exercice do l'une et de l'autre religion." Daarop stelde de Prins VAN ORANJE het ontwerp van Religievrede op, dat in naam van den Aartshertog en den Raad van State uitgevaardigd, den 27sten AUGUSTUS te Antwerpen werd afgekondigd Het is de vraag of de Synode van Dordrecht eenig

----------------

1. HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 140. Dit blijkt o. a daaruit, dat geen woord gerept wordt van aan de overheid toestemming te vragen tot het houden van groote kerkvergaderingem. De tweede particuliere vraag luidt: "Of de Articulen des Synodi moeten van de Magistraat bevestigt worden?" Hierop is geantwoord "dat men aen de Magistaat versoecken zal, dat sy hare autoriteit gebruyke tot uitvoeringhe der Articulen wanneer dat sulcks nodich sal syn, tot welck een eynde twee personen sullen bestemt worden, die het selve met Requeste aen de Ed. Heeren Staaten versoecken." Werkelijk is deze Kerkordening door twee predikanten aan de Staten van Holland en Zeeland gepresenteerd, "dwelck alst geschiede, so syn de Heeren Staaten metter presentatie tevreden gheweest, segghende in effect, als hare E.E. die begheerden te sien, souden sy die dan wel vereyschen." "Cort, eenvoudich ende waerachtig verhaal," bl. G. Men ziet, de Staten hielden de eer aan zich,

aandeel gehad heeft aan het indienen van de bovengemelde verzoekfschriften. Bij BOR, 1. die de beide rekesten in hun geheel mededeelt, vinden wij daarowmtrent niets, doch HOOFT 2 en na hem BRANDT 3 melden, dat het met de toestemming der Synode geschied is. Mr. GROEN VAN PRINSTERER schrijft: "le 22 Juin les Réformeés (déterminés, à ce qu'il parait, par l'avis du Synode de Dordt, présidé par DATHENUS) présentèrent leur première requète, et déjà quinze jours plus tard une seconde à l'Archiduc et au (Conseil d'Etat."4 Laat ons zien wat hiervan zij. In den zomer van 1581 werd er eene Generale Synode te Middelburg gehouden. Deze achtte het eene harer verplichtingen te trachten het geschil bij te leggen, dat sedert 1578 tusschen den Prins VAN ORANJE en DATHENUS was ontstaan, en om de zaak nauwkeurig en naar eisch

--------------

1. Oorspronk der Nederlandse Beroerten, XII, fol 37.
2. Nederlandsche Historiën XIII, bl. 680: "Tot Gent quam men bij vier, vyf, zeshonderden teffens aan verscheyden oorden te hoop; met zoo luttel ontzighs, oft het oopentlijk veroorloft geweest waar. Neemende de loop van dagh tot dagh toe; behaaghden hun eyndlijk hunne meenight en midlen zoo wel, dat men zich verstoutte vrije oeffening te verzoeken; op aanraaden der geenen, dien 't alleens was in wat wyze zy hunnen Godsdienst vorderden. Ik zoude gelooven, ook luyden daaronder geweest te zyn, die eenen afkeer hebbende van de arghernis der daatlykheit, daar 't anders naa uit zagh, liever dezen wegh ingingen. 't Zelfste werd goedt gevonden, by eene der Nederlandsche, Hooghduytsche en Walsche, zoo inheemsche als uitheemsche kerkenvergaadring, aangevangen tot Dordrecht den tweeden van Zoomermaandt."
3. Historie der Reformatie I, bl. 603.
4. Archives de la Maison d'Orange Nassau, VI page 386.

te behandelen, werden alle getuigen door haar gehoord, die daarover eenig licht konden verspreiden. Ook het oordeel van VILLIERS 1. werd gevraagd, den bekenden hofprediker en Raad van Prins WILLEM, en deze schreef een merkwaardigen brief aan de Synode terug, waarin o. a. de volgende woorden voorkomen: "Quant au faict de Monsieur DATHENUS, j'ai tousjours esté marri de veoir le train que ces affaires prenoient, et s'il lui eust pleu croire des le commencement le conseil que Messieurs EYDANUS, TAFFIN et moi lui donnions, qui estions éleus avecq lui par le Synode de Dordrecht pour la requeste, il se fust tenu en Anvers, et ne fussent pas ensuivi tant de mauls, etc." 2. VILLIERS spreekt hier van het najaar van 1578, toen DATHEEN zich tegen de begeerte van den Prins naar Gent had begeven. Wij hooren hier dus van hem het hoogst belangrijk bericht, dat de Synode van Dordrecht hem met DATHEEN, VAN DER HEYDEN en TAFFIN had verkozen om het rekest, waarmede niets anders dan het verzoekschrift voor den Godsdienstvrede kan bedoeld zijn, aan den Aartshertog aan te bieden. Dit stemt overeen met hetgeen wij bij TE WATER lezen, dat namelijk GASPAR VAN DER HEYDEN na het einde der Synode, op haar bevel naar Antwerpen is gereisd, hoewel deze schrijver blijkbaar niet wist met welk doel dat geschied was. 3 TAFFIN, die ook op de Synode aanwezig was, was destijds predikant bij de

--------------

PIERRE L'OTELEUR, Heer van Villiers en Westhoven. Hij was hoogstwaarsohijulijk de steller van de beroemde tweede apologie van den Prins VAN ORANJE.
2. H. Q JANSSEN, PETRUS DATHEHUS, bl, 120.
3. J. W. TE WATER, Reformatie van Zeeland, bl. 404.

Waalsche gemeente te Antwerpen, en VILLIERS zelf, die deze kerkvergadering niet heeft bijgewoond, bevond zich met den Prins in diezelfde stad. Wij zagen dat het eerste rekest werd aangeboden den 22sten Juni. In dit belangrijk stuk werd als het eenige middel, om "tot eene goede eenigheid te komen, alle quaed vermoeden weg te nemen en alle mistrouwen uit te blusschen" aanbevolen, den Protestanten de "vrije oeffeninge der Religie" toe te staan en beide gezindten (Roomschen en Onroomschen) zooveel mogelijk met gelijke rechten te begiftigen. Met klem van redenen en door tal van voorbeelden, aan andere volken en staten ontleend, wordt aangetoond dat twee verschillende godsdienstvormen zeer wel in een land naast elkander kunnen blijven bestaan, en dat het slechts is om hunne tegenstanders te beter ten onder te kunnen brengen, dat vele roomschgezinden dit voor onmogelijk houden. "Dat het U dan believe," aldus eindigen de supplianten, "mitlijden te hebben over die, welke hen tusschen uwe armen begeven hebben, en naest God van niemand anders verlichtinge verwachten dan alleen van U. Maekt daerom dat door eene heilige Wet van vergevinge en vergetinge alle saken voor henen geschied ter eender en ter ander sijden begraven werden, also dat namaels niemand ondersocht noch beswaert werde om eenige saken, die uit oorsaken van der verscheidenheid der Religiën geschied zijn. So sullen de Protestanten beloven hen allen redelijke conditiën te onderwerpen, ja dat se die onverbrekelijk sullen houden, dat het uwer Hoogheid believen sal voor te stellen en dat sy daervan sulke versekeringe geven sullen die men vinden sal hen mogelijk te wesen." Het tweede rekest bevatte hoofdzakelijk een ontwerp van maatregelen, welke dienstig zouden kunnen zijn, om eenen mogelijken Godsdienstvrede door beide partijen ongeschonden te doen bewaren, terwijl de schrijvers aan het slot beloofden "aen eenige Princen en grote Heeren te suppliëren, dat het hen believe voor hare getrouwigheid te verantwoorden, de welke sy ook verhopen te verkrijgen." Het antwoord op deze beide rekesten was, gelijk wij reeds opmerkten, het ontwerp van Religievrede door Prins WILLEM opgesteld, dat na langdurige beraadslagingen aan het oordeel der verschillende gewesten onderworpen werd. Wanneer wij de verschillende punten, waaruit dit merkwaardig stuk bestaat, nauwkeurig nagaan, dan treft het ons terstond, dat daarin in hoofdzaak juist datgene aan de Protestanten wordt verleend, waarom zij in hunne verzoekschriften hadden gebeden. Alle mishandeling, ter zake van de religie sedert den Gentschen vrede bedreven, zoude vergeven en vergeten zijn; elkeen zoude aangaande de twee religiën vrij en vrank mogen blijven, en God dienen naar het verstand hem gegeven. Overal waar honderd huisgezinnen van de eene of andere gezindte vrije openbare godsdienstoefening begeerden, zou die worden toegestaan, terwij1 men in het begeven van ambten niet op gezindte, maar slechts op bekwaamheid letten zoude. 1. Men mocht dus verwacht hebben dat deze Godsdienstvrede, althans door de Protestanten, met vreugde en dankbaarheid zoude zijn ontvangen, doch het tegen-

--------------------

1. Men zie het geheele stuk bij E. VAN METEREN, Historie van de Oorlogen en de Geschiedenissen der Nederlanderen, Bitg. 1750, Dl. III, bl. 169 vgg.

overgestelde had plaats. Terwij1 de Roomschen er niet van wilden hooren, omdat men volgens hen den ketters te veel had toegegeven en het geheele ontwerp tot schade van hun heilig, oud, katholiek geloof moest verstrekken, beweerden juist de Gereformeerden, dat zij te weinig hadden ontvangen en "dat Gods eer niet bevorderd werdt, waar men openbare afgodedienst toeliet." 1. En wat was het oordeel van DATHEEN? In zijne verantwoording verklaarde hij zes jaren later, "dat hij noyt in der Schrift ofte Kerkelijke Historiën gelesen hadde, dat eenig Christelyck Potentaet die openbare uytgeroyde affgoderie oyt wederom opgericht hadde, off dat 't selve met goeder conscientie geschieden conde," 2. en hij verzette zich dan ook met de grootste heftigheid tegen de invoering van dien Godsdienstvrede te Gent. Van DATHEEN verwondert dit ons niet; wij kennen zijn karakter en het zou eerder onze bevreemding opwekken, indien hij met den Godsdienstvrede had ingestemd, doch hoe is dit gedrag te rijmen met het feit, dat hij deel uitmaakte der commissie, die het verzoekschrift tot invoering van dien zelfden Godsdienstvrede moest indienen? Ziedaar een duister punt dat eenige opheldering

-----------

"On en était venu au point, oh tout nuit et rien ne profite. L'exaltation, de part et d'autre, ne permettait plus les termes moyens. Également en horreur à la plupart des Catholiques et des Réformés, le projet ne put être momentanement admis que la oú, se trouvant a peu pres en forces égales, on desirait une Tréve, pour avoir ensuite plus de chances de succés. GROEN VAN PRINSTERER, Archives, VI page 389. Dit laatste had bij voorbeeld te Antwerpen plaats.
2. Verantwoording van PETRUS DATHENUS, antwoord l7, bij 's GRAVEZANDE, Tweehonderdjarige Gedachtenis van het Synode te Wesel, bl. 156.

eischt.-De Prins VAN ORANJE had sedert lang gewenscht eenen Religievrede tusschen Roomschen en Onroomschen tot stand te brengen; zijn doel was steeds geweest ook voor deze laatsten volkomen vrijheid te verkrijgen en het recht van in het openbaar hunnen godsdienst te plegen hun toe te staan; doch hij had den tijd voor dusdanige bepalingen nog niet rijp bevonden. Thans, nu de spanning tusschen de beide gezindten overal vermeerderde, begreep hij dat er gehandeld moest worden en stelde zijn ontwerp op, om daardoor zoo lang mogelijk den vrede in de reeds zoo fel geschokte provinciën te bewaren. 1, Hij wist echter dat zijn voorstel niet aangenaam zoude wezen aan den Aartshertog, die dan ook moeite schijnt gedaan te hebben om de uitvoering er van te verhinderen, 2 en begreep daarom dat het niet ondienstig zijn zoude indien hij gesteund werd door de Gereformeerden, die in een rekest MATTHIAS om datgene zouden verzoeken, wat hij, Prins WILLEM, voornemens was hun aan te bieden. Ik aarzel dan ook niet als mijne overtuiging uit te spreken dat deze beide verzoekschriften niet van de zijde der kerkelijken afkomstig zijn, doch in de

---------------

1. Men vergelijke GROEN VAN PRINSTERER, ARCHIVOS, VI page 391.
"S'il proposa entre les deux Religions un accord, ce fut parceque, cédant à la force et sans se faire illusion, il désirait retarder, aussi longtemps que possible, le choc désormais inévitable des fureurs civiles."
2. "Quidam dicunt, MATTHIAM et eos, qui sunt ipsius factionis, maxime impedire ne ea libertas in religione concedatur." En verder: "Austríaca factio id impedit, quantum in se est, ita ut multi jam existiment ideo praecipue in eas regiones venisse Archiducem, ut purioris religionis progressum impediat." Lettres de LANGUET. Zie GROEN VAN PRINSTERER. Archives VI, page 387.

naaste omgeving van den Prins VAN ORANJE zijn opgesteld. Vragen wij dan nu naar den opsteller zelven, zoo vestigt zich onze blik terstond op VILLIERS. Hij, later de schrijver der beroemde apologie, was volkomen voor die taak berekend, terwijl wij mogen aannemen dat PHILIPSVAN MARNIX mede een belangrijk aandeel in het opstellen der rekesten zal hebben gehad. Dat bijbrengen van voorbeelden uit vreemde staten en godsdiensten, dat wij in het eerste rekest aantreffen, en waarop ik reeds met een enkel woord wees, is geheel naar de wijze van doen van dezen laatste, terwijl wij bovendien nog de aandacht kunnen vestigen op het feit, dat MARNIX onlangs van den rijksdag te Worms was teruggekeerd, en onder de steden, die tot voorbeeld moesten strekken van het door de schrijvers betoogde, ook Worms wordt aangetroffen. Bovendien, het tweede verzoekschrift met zijne menigvuldige wettelijke bepalingen verraadt eene hand, die zich op dat gebied te huis gevoelt, terwijl Wij sommigen van die bepalingen, in hoofdzaak althans, in het ontwerp van den Prins terugvinden.
Waarschijnlijk is dus, naar den wensch van PrinsWILLEM, door VILLIERS de Synode aangezocht eenigen harer in vloedrijkste leden te willen afvaardigen tot het aanbieden van een rekest aan den Aartshertog, waarop, gelijk wij zagen, de keuze van drie hunner volgde, den Praeses, den Assessor en eenen vertegenwoordiger der Waalsche kerken. Ofschoon de Synode het rekest zelf waarschijnlijk niet in handen heeft gehad, maar de commissie dat bij ,

--------------

1. Men vergelijke: ''Vie de MARNIX DE SANTE ALDEGONDE, par THÉODORE JUSTE, page 56.

hare aankomst te Antwerpen 1. gereed gevonden heeft, zal zij toch met den hoofdinhoud wel bekend zijn geweest; wij kunnen immers niet veronderstellen dat zij afgevaardigden zou gezonden hebben tot het indienen van een verzoekschrift, waarvan zij niet wist wat het inhield. Wellicht heeft DATHEEN terstond te kennen gegeven dat hij met den inhoud niet instemde; dit zou verklaren, waarom wij hem den 22sten Juni, dag waarop het rekest werd aangeboden, nog in Dordrecht vinden, waar hij het Avondmaal bediende, 2. terwijl hij eerst eenige dagen later naar Antwerpen vertrokken is. 3. Dat niet alle leden der Synode er evenzoo over dachten als hij, blijkt uit een brief van JOHANNES CUBUS, den tweeden scriba dier vergadering, den 29sten Juni 1578 uit Antwerpen aan ARNOLDUS CORNELII te Delft gericht, waarin wij het volgende lezen: "Op onse overghegheven requeste ver-

----------
1. Daar het rekest zeer lang is (het beslaat ongeveer 8 kolommen folio bij BOS) en reeds vier dagen na het scheiden der Synode werd ingediend, is het niet waarschijnlijk dat het na aankomst der commissie te Antwerpen nog vervaardigd is. Men zou ook kunnen aannemen, dat VILLIERS het geheele rekest aan de Synode heeft gezonden, opdat deze van den inhoud kennis name, doch dan blijft het hoogst vreemd, dat met geen enkel woord daarvan in de Acta dier vergadering wordt melding gemaakt.
2. Dr. SCHOTEL, Kerkelijk Dordrecht, I, bl. 181.
3. Terwijl DATHEEN in Antwerpen vertoefde, schijnt hij zich ook niet naar de begeerte der overigen gevoegd te hebben, blijkens hetgeen VlLLIERS verder in zijnen boven aangehaalden brief schrijft: "mais des lors" (nl. bij zijne komst in Antwerpen) "il commença a suivre son conseil et mespriser celui de ses frères, ce qui a continué jusques à la fin, qui ne m'a guères esté aggréable." H.Q. JANSSEN, PETRUS DATHENUS, bl. 12

wachten wij goede antwoorde, ja sij sullen ghedwonghen sijn goede antwoorde te gheven, wt dien dat sij eenighe beroerte vreesen wt oorsake van den grooten toeloop totte predicatien. De selve onse requeste wordt nu ghedruct ende verhope v. 1. corts een copye of twee te seynden". 1. Heeft deze zaak ons eenigzins lang bezig gehouden, het was, omdat ik helder de groote belangrijkheid wilde doen uitkomen van de taak der commissie, waarvan GASPAR VAN DER HEYDEN een deel uitmaakte. Zij toch baande door het indienen van het rekest den weg, waarop Prins WILLEM straks met zijn ontwerp van Religievrede zou kunnen voortgaan.
Deze zijne bemoeiingen omtrent de Synode van 1578, met hetgeen daaruit voortvloeide, behooren tot de merkwaardigste werkzaamheden van
VAN DER HEYDEN in de jaren van zijn verblijf te Middelburg. Onder hetgeen hij in deze stad zelve voor het belang der Kerk deed, verdient vooral onze aandacht zijn verzet tegen de Doopsgezinden, waartoe hij zich gedurende al den tijd, dat hij het leeraarsambt aldaar waarnam, geroepen achtte. Ik wensch al die gelegenheden, waarbij zijn naam in betrekking tot hen genoemd wordt, achtereenvolgens te behandelen, daar zij te zeer verspreid zijn en aan den anderen kant ook weder te nauw samenhangen, om iederen keer chronologisch in zjn levensbeschrijving te kunnen worden ingevlochten.

-----------
I Werken der Marnix-Vereeniging III. III. (Bescheiden aangaande de Kerkhervorming in Vlaanderen) bl. 8. Uit dezen zelfden brief blijkt nog ten overvloede dat DATHEEN en
VAN DER HEYDEN zich toen te Antwerpen bevonden, daar wij in het "post-scriptum" lezen: "Dominus DATHENUS et CASP. HEYD. te salutant."

Reeds spoedig na de overgave van Middelburg aan den Prins VAN ORANJE in den aanvang van 1574 waren, gelijk wij zagen, vele Gereformeerden daar weder binnengestroomd, en met hen natuurlijk ook eene menigte uitgewekenen van andere gezindten, die vrijheid in de nu voor hen veilige stad kwamen zoeken. Doch eene onbeperkte vrijheid van godsdienst behoorde niet tot hetgeen mogelijk of oorbaar geacht werd in de zestiende eeuw, en zoo geschiedde het dan ook dat de Calvinisten, die toen den sterksten aanhang in Middelburg hadden, spoedig andere gezindten, met name de Doopsgezinden, begonnen te belemmeren en, kon het zijn, uit hunne stad te weren. Men was altijd bevreesd dat het met hen nog eens "op sijn Munsters" mocht toegaan, en achtte hunne weigering om den eed af te leggen gevaarlijk voor den Staat als een mogelijk deksel der leugen, terwijl hunne weigering om de wapenen te dragen diegenen verbitterde, die hun leven veil hadden voor de verdediging van het vaderland. 2 Wij moeten dus

---------

1. Vgl. de notulen van den Middelburgschen kerkeraad van 31 Maart 1574, waar wij o. a. lezen: "Dagelicx siende de groote menichte der Wederdooperen, die dagelicx openbaerlic inder stadt quamen,...... soo was verordeneert, dat men (uit compassie van der lieden sielen, oock uit vreese, oft op syn Munsters mocht toegaan) met requeste den Magistraet soude waerscuwen...." etc. Zie F. NAGTGLAS, de Kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Middelburg, tegenover de Doopsgezinden, Voetwasschers en Martinisten, van 1574-1608, opgenomen in de Bijdragen tot de Oudheidk. en Gesch., inzonderheid van Zeeuwsch Vlaanderen, VI, bl. 240. Aan dit belangrijk stuk ben ik vele der nu volgende bizonderheden verplicht.
2. In 1578 dienden de gilden van Middelburg een verzoekschrift in bij den Magistraat, waarin zij klagen over de vrijstelling der Doopsge-

niet voorbijzien, dat niet altijd onverdraagzaamheid of haat tegen andersdenkenden de grond was van de vervolging, tegen hen ingesteld, en waar wij mannen als TAFFIN, VAN DER HEYDEN, ja zelfs MARNIX VAN ST. AIDEGONDE tot harde maatregelen tegen hen geneigd zien, moeten wij den drijfveer, die hen daartoe aanzette, elders en dieper zoeken. Wij kunnen ons ook begrijpen, dat deze mannen bevreesd waren beginselen te zien zegevieren die, consequent doorgevoerd, de geheele Kerk, op zooveel bloed en tranen gegrondvest en hun zoo dierbaar, te gronde moesten richten. Reeds in Maart 1574 werd door den kerkeraad van Middelburg het vermoeden geuit, dat er vele Doopsgezinden in de stad moesten zijn, daar er veel meer kinderen geboren dan gedoopt waren, en in Mei staken er zeer velen uit Engeland naar Walcheren over, daar zij door Koningin ELIZABETH uit haar rijk waren gebannen. ' 1. Den 22sten Augustus van dat zelfde jaar schreef dan ook VAN DER HEYDEN aan CORNELII: "Auditorium nostrum Middelburginum paulatim quidem augetur, verum non ex sententia. Gravantur cives insolentia militum

-------------

zinden van de wacht, en ijveren tegen "die voorghewende heiligheit van seeckere ingesetenen, die sich aen 't wacht houden onttrecken." F. NAGTGLAS, a. w. bl. 241.
1. Op het vernemen van de tijding, dat er een "scip vol Wederdoopers" in aantocht was, begaf zich GELEIN D'HOORNE (de predikant van Middelburg) met een ouderling naar den Magistraat, "biddende dat die Heeren in desen toesaghen, dattet ons op geen Munstersche murderie uitquam, maer dat sy, soo met den eedt, als met andere middelen, de secte bedwongen." NAGTGLAS, a.w. bl. 242.

plus satis, ita ut multi indies nostrorum fratrum revertantur in Angliam, et interea
locus impletur Anabaptistis." 1. Anderhalf jaar later was de toestand nog niet verbeterd, blijkens hetgeen hij toen aan zijn vriend schreef: "Status nostrae Ecclesiae mediocriter est; Anabaptistae indies fiunt audaciores." 2. Zeer dikwijls treffen wij den naam van
GASPAR VAN DER HEYDEN, in de notulen van den kerkeraad van Middelburg met betrekking tot de Doopsgezinden aan, hetzij om hen te vermanen en te bestraffen, hetzij om bij de stedelijke regeering eenigen maatregel ten hunnen opzichte doorgevoerd te krijgen. 3. Eene voorname rol speelt hij bij de behandeling der zaak van HENDRIK VAN HEN8BERGEN, een onrustig man, die, van Antwerpen afkomstig, zich te Middelburg aan de zg. Voetwasschers (eene afdeeling der Doopsgezinden) aansloot en de gemeente "seer perturbeerde," doch zich later met de Gereformeerden verzoende, en vele jaren achtereen het predikambt bij deze kerk waarnam. Verscheidene malen werd hij door VAN DER HEYDEN "vermaent," totdat hij eindelijk betuigde "dat het hem leet was, dat het met hem soo verre ghecomen was." Hij beloofde "van nu voortaen niemant meer ontrust te maken, maer het woord Godts te onderzoeken ende so het meughelyck is, hem met de ghemeinte te versoenen." Hij

---------------

1. Bijlage B, Nº 6.
2. Brief van 23 Maart 1576. Bijlage B, N°. 13.
3. Zoo bv. 26 Juli 1575. "Dewyl dat bet ergherlick is, dat men Mr. GERMAIN, een openbaeren Wederdooper, laet schole houden, is goet gevonden, dat men dese saek metten eersten HUGO JOOSSE sal aengheven, hem biddende, dat hij dit inden Raet wilde voorstellen; dit is Mr. JASPER opgelegd." NAGTGLAS, a. w. bl. 244.

schreef eene schuldbelijdenis, en werd den 17den November weder bij de Gereformeerde gemeente aangenomen. 1. TE WATER vermeldt, dat aan VAN DER HEYDEN in Middelburg, onder "andere zaken van gewicht", ook het "houden van een gesprek met de Wederdoopers" werd oppedragen. 2. In de Kerkeraads notulen van het einde van 1577 en het begin des volgenden jaars vinden wij daaromtrent meer. Wij lezen daar: 2. "Dewijl dat CRYNTGEN verclaert heeft, in teghenwoordigheit van Wederdooperen, dat sy ongherust was in 't stuk der menschwerdinghe CHRISTI, daerover sy de dispute begheerde te hooren, tot haerder gherusticheit tusschen ons en deselve Wederdoopers, waermede de Dopers wel te vrede syn, ende presenteren sulx te doen, als't CRYNTGEN begheeren sal, so is verordent, dat dese dispute uitgesteld wert tot naer het anstaende Nachtmael, ende dan sal Mr. CASPAR de dispute wtvoeren, in 't bijwesen van Mr. JAN SEU, MICHIEL PANEEL, JEREMIAS ACKERMAN en JACQUES VAN BERTHEM, met nog twee andere broederen van buten der consistorie, te wetene CORNELIS CLAESSE ende ANTONIE BOLLAERT. Item is goet ghevonden, dat tot dese dispute ghenomen wert eenen notarius, die de redenen van beider syden getrouwelick opschryven sal. En is daertoe verordent Mr. RYCHARD VAN VARENT."
Dit dispuut heeft echter niet plaats gehad. Na vele

------------

1. F. NAGTGLAS, a.w. b1. 249.
2. Reformatie van Zeeland, bl.403.
3. Notulen van 18 Dec. 1577. Zie NAGTGLAS, a. w. bl. 250. "CRYNTGEN" is zekere CRYNTGEN JANSD. VAN ESSEN, "lakencoopster in den langhen delft."

onderhandelingen is men wel den 4den Januari 1578 te zamen gekomen, maar nadat de Doopsgezinde leeraar HANS BOSSCHAERT 1. eene "predicatie" gedaan had, "heeft HEYDANUS, veel dynghen opgheteekent hebbende, den leeraer ghepresenteert, van de menschwerdynghe ofte ander puncten, die den leeraer valschelycke gheleert hadde, te disputeeren, present een of twee notaryen 't welck den leeraer gantsch afgheslaghen heeft, alleen bereyt synde, sonder notarius ofte ander ghetuyghen te verantwoorden wat hij daer gheleert hadde. Allegeerende seecker waerschouwynghe van de hooghe overheyt, van gheen gherucht ofte beroerte te maken. Somma niet te willen disputeeren, ten ware van de overheyt gheconsenteert of verordent." Nadat men verlof van de overheid gevraagd en verkregen had, om gedurende drie dagen te disputeeren, in 't bijzijn van "2 notariën, die alles souden opteeckenen" werden de Doopsgezinden weder daartoe aangezocht, maar zij weigerden, bij monde van bovengemelden BOSSCHAERT. Van dit verzoek en deze weigering werd door den notaris VAN VARENT acte opgemaakt, en "dewijl dat de Mennonyten niet af en hielden tot Syriczee, Andwerpe, en elders leughenen te stroyen, segghende dat de ministers der kercke tot Middelburgh niet en hebben durven jegens HANS BOSSCHAERT haeren Bisschop disputeeren, hoewel het van de overheyt toeghelaten was, so is goetghevonden, dat men copie van de handelynghe senden sal tot Syriczee, tot Andwerpe ende tot elders, opdat haere leughenen daerwt blycken moghen."

-----------------

1. Ook HANS DE WEVER genoemd.

Hiermede eindigt de zaak van dit dispuut, en wij weten niet of zij later nog weer is opgenomen. Onnoodig acht ik het hier verder al de gevallen met betrekking tot de Doopsgezinden te vermelden, waarbij VAN DER HEYDEN, hetzij alleen, hetzij in gezelschap zijner mededienaren, in de Middelburgsche kerkeraadsnotulen voorkowmt; zij zijn daarvoor niet belangrijk genoeg en komen meestal ongeveer op hetzelfde neder; liever wensch ik thans een oogenblik stil te staan bij een brief, dien onze leeraar in Maart 1577, naar aanleiding van hetzelfde onderwerp, van MARNIX VAN St. ALDEGONDE ontving. De stedelijke regeering van Middelburg had de Kerk ijverig gesteund in hare pogingen, om de Doopsgezinden aldaar te bemoeilijken. Zoo had tegen het einde van 1576 de Magistraat dier stad hunne winkels doen sluiten, onder voorgeven dat zij door het weigeren van den eed de burgerlijke orde en den band der maatschappij verbraken, en alzoo niet langer als burgers geduld konden worden. Hierover dienden de Doopsgezinden een beklag in bij den Prins VAN ORANJE, die reeds den 26 Januari I577 een gunstig antwoord daarop gaf en ordonneerde, dat de "Supplianten bij den Magistraet souden mogen bestaen met haer jae in plaetse van eede, mits 1. dat d' overtreeders van dien als eedtbrekers ende meyneedigen souden gestraft worden," terwijl zij weder hunne winkels mochten openen "ende neeringe genieten, gelijk sy van te vooren gedaen hadden." 2. Den predikanten behaagde deze handelwijze des Prinsen

---------

1. "Mitsgaders."
2. BRANDT, Hist. der Ref. I. bl. 588.

niet, gelijk zich laat denken, en zij deden hun uiterste best, om de zaak nog veranderd te krijgen. TAFFIN, die een opstel had geschreven ter bestrijding van der Anabaptisten onwil om den eed af te leggen, had er met den Prins en VAN DER HEYDEN over gehandeld. De eerste was echter niet te bewegen iets aan zijn besluit te veranderen, en zag ongaarne dat er tegen de Anabaptisten geschreven werd, de tweede keurde dit bepaald noodig, en had er bij TAFFIN op aangedrongen. 1. In de vergadering der Staten van Holland en Zeeland, in Maart 1577 te Dordrecht gehouden, werd de zaak opnienw met den Prins besproken, en uit den brief (hierboven gemeld) dien MARNIX den laatsten van die maand aan VAN DER HEYDEN richtte, zien wij dat de Prins bij zijn vroeger besluit volhardde, en den zachteren weg bleef verkiezen. 2. MARNIX bleef evenzeer bij zijn gevoelen en achtte dat men hen, die den eed weigerden, niet als burgers moest beschouwen, doch de Prins had verschillende

-----------

1. Dr. C. SEPP, Drie evangeliedienaren, bl 46.
2. Zie den brief in de Oeuvres de PH. DE MARNIX, Correspondance et Mélanges VIII, page 226.
3. Vgl. wat MARNIX schrijft: "Negotium Anabaptistarum heri, post acceptas tuas et TAFFINI literas, cum Principe illustrissimo tractatur, et comperi certa multo esse difficilius, quam sperabam: fecerat enim magnam mibi spem, cum essem Mittelburgi, excludendos essecivitate, qui sacramentum obire nolIent, aut certe haud esse solenniter admittendos. Jam causatur, statui id non posse, nisi cum nova Ecclesiarum convulsione, propterea quod Ordines baud sint passuri legem ejusmodi praescribi, quam ex usu Reipublicae plane non esse statuant: imo asseverat, hane unicam faisse olim causam, quamobrem consistoria in tantam invidiam apud Ordines venerint, ut prope abfuerit, quin senatus consulto

redenen, waarom hij weigerde de Doopsgezinden te vervolgen. Niet slechts omdat zij, waar zij weigerden zelven de wapenen op te vatten tot verdediging van het vaderland, hem meermalen met geld hadden bijgestaan, maar ook en vooral omdat hij een afkeer had van alle vervolging ter oorzake van den godsdienst, en zeer vreesde dat men door op dezen weg voort te gaan, in plaats van het juk van het Pausdom, waarvan men pas was bevrijd, een nieuw juk zich op den hals zou zien geschoven, de heerschappij der bovendrijvende Kerk. 1.

------------

facto penitus tollerentur. Jam denuo tandem rem agi, et quidem quo tempore non dublum sit ex pontificia farragine multos frigidam suffusuros. Omnino se existimare maxime id fraudi Ecelesiis fore. Hic ego, cum vehementer urgerem, politico ac civili praetextu posse rejici eos, qui omnis humanae societatis vinculum abrumpant, et simul adderem, quam grave ex hujusmodi decreto, et quidem per se impio, periculum et Reipublicae simul immineat et Ecclesiis, satis acriter respondit, affirmationem illis fore pro jurejurando: neque debere amplius urgeri, nisi una opera, et nos fateamur, aequum esse, ut a Pontificiis ad eam cogamur, quae conscientiae nostrae religio aversatur; neque plane consensuros passurosve esse Hollandos Borcales, ut id fiat.
Breviter, video vix quicquam in hoc negotio nos esse profecturos. Quid mihi certe eo dolet magis, quo magis video multorum piorum animos nescio quibus objectis importunis scrupulis ita exacerbari, ac prope dixerim vulnerari, ut minus bene velint iis, qui rem Ecclesiae pro suis viribus nituntur promovere, etc."
1. Dat dit zoo was, blijkt nog uit hetgeen MARNIX in dezen brief er bij voegt, waar hij schrijft: "His vero in Ecclesiis, ecquid est vulgatius, ecquid pronius et magis in promptu, quam praecipnos quosque ex nobilitate atque Ordinibus viros, in plebe etiam infinitos, hoc uno nomine a nostris se continere coetibus, quod metuant novam jurisdictionis Ecclesiasticae jugum atque Imperium? Ipse Princeps, cum ad se

Het is zeer te betreuren, dat wij den brief van GASPAR VAN DER HEYDEN, die dit antwoord van MARNIX uitlokte, niet meer bezitten, daar wij dan wellicht nog beter en uitvoeriger het gevoelen van dezen leeraar met betrekking tot de Doopsgezinden zouden kennen, doch althans eenigermate wordt ons dit gemis vergoed, door hetgeen wij in een zijner brieven van het jaar 1579,

-----------------

venissem, per aliquot annos omnibus meis telis, hoc unum tamquam AJACIS objecit clypeum."
Men vergelijke vooral wat Dr J. J. VAN TOORENENBERGEN Schrijft in de inleiding op het 2de deel van PHILIPS VAN MARNIX Godsd. en Kerkel. Geschriften, naar aanleiding van diens "Ondersoeckinge ende grondelycke wederlegginge der geestdrijvische leere, enz.": "MARNIX wist de Nederlandsche Doopsgezinden niet zoo scherp van de Wederdoopers te onderscheiden, als dat in onzen tijd geschied is door de rustige achtbare volgers van MENNO SIMONSZ. zelve. Prins WILLEM I, hun beschermer, ging in dezen toch ook meer met eene wijze politiek te rade, dan dat hij dat onderscheid toen reeds zoo helder vond." (a. w. bl. K.) En verder op bl. XX, naar aanleiding van het volgende, dat Jonkheer DE LYERE in zijnen openbaren brief aan de Staten-Generaal schrijft: "Ik kan seggen, dat ik de eer gehad hebbe van tegenwoordich te wesen, daer over eene volle tafel wijlen mijn Heere den Prince Hoger Ged. deselve contrarie opinie" (op het punt van het bestraffen der ketters) "gedisputeerd heeft tegens myn Heere VAN ST. ALDEGONDE, denwelcken niet onbewust conde wesen, dat dese wyse van fortsich rigeur, die hy voorgeeft, niet ontfangen soude worden bij U. E.," schrijft Dr. VAN TOORENENBERGEN: " "dit bericht heeft allen schijn van waarheid in zich zelf. Inderdaad was MARNIX, hoezeer ook getrouw handhaver van de Gentsche Pacificatie en zelfs voorstander van den Godsdienstvrede, niet zoo afkeerig van alle uitwendige maatregelen tot beteugeling van leeringen, die den godsdienst en de maatschappelijke orde bedreigden, als WILLEM I. Deze was zijn tijd ook in dit opzicht vooruit. Hij hield het woord van Keizer MAXIMILIAAN II, dien hij ook in dit opzicht zijn aan ARNOLDUS CORNELII gericht, lezen. 1. MENSO ALTING 2. had hem een uitvoerig schrijven gezonden "aengaende de Wederdoperen, die van Emden t'Amsterdam dagelycks comen ende aenwassen," waarop de schrijver achtte dat men "sich in tijts behoorde te versien." 3. Verder riep hij de hulp van
VAN DER HEYDEN in, voor het geval dat er weder een godsdienstgesprek zou gehouden worden. Nadat VAN DER HEYDEN in zijn brief een gedeelte van dien van ALTING heeft weergegeven, gaat hij aldus voort:

--------------

vader mocht noemen, als staatsmaxime in al zijne consequentiën vast: "Nullam esse tyrannidem intolerabiliorem, quam conscientiis velle dominari." Wat allengs ook in de Gereformeerde Kerk de leus werd: "Verbis, non verberibus, doctoribus non tortoribus," dat was in de 16e eenw de overtuiging van zeer weinigen in Kerk en Staat. Dat zij, die als MARNIX VAN ST. ALDEGONDE (en wij kunnen er bijvoegen GASPAR VAN DER HEYDEN)""zooveel vervolging geleden hebben om hun geloof, die leer niet predikten, strekt hun tot onverwelkelijke eer, want het bewijst, dat zij hunne overtuiging niet lieten leiden door hun belang.""
1. Bijlage B, N°. 21. De datum ontbreekt, doch waarschijnlijk is deze brief op het einde van 1579 uit Antwerpen geschreven.
2. Deze MENNO ALTING was predikant te Emden en in meer dan een opzicht een merkwaardig man. Men vergelijke over hem MEINERS Oost-Vrieslandts Kerkgeschiedenis I, bl. 461-478.
3 "Amstelredamum hinc turmatim confluant nefarii homines et istam urbem invadere conabuntur, nisi prudenter et in tempore eis obviam eatur..... In Occidua Frisia non minus quam in Hollandia grassantur pestes istae, et quidem nomine oppugnante, nam magistratus quidlibet eis permittit et ministri fere nulli sunt, qui eis se opponant; reete aut ego nihil video, aut isti homines in persequendis fidelibus, et Arrianos et Donatistas, quos per omnia imitantur, superabunt.... Si igitur Ecclesiam conservatam et paratam cupímus, cogítemus fratres de legítimis mediis hosce furores compescendi et reprimendi, idque in tempore."

"Domini MENSONIS discours is noch veel langer, maer dit heb ick v. 1. willen afschryven, opdat v. 1. op de sake mach dencken ende v.1. meyninghe, deser saken aengaende, overschryven. So veel mij aengaet, ick achte, dattet noch alte vroech is wederom te disputeeren, daer dese dispute 1. noch so onlangs geschiet, ende noch yegelycken niet bekend is, datmen daerom wt derselver siet hare boosheyt; die niet gansch blint wil wesen, ende die doer deselve niet gesticht is, sal langsaem doer eene nieuwe ter waerheyt gebrocht werden."
Van het nuttelooze van het disputeeren was
VAN DER HEYDEN dus vrij wel overtuigd; hij had dat trouwens te Frankenthal in 1571 leeren inzien. Hij schrijft dan ook: "al disputeerde men 100 mael, so sal mense daerdoer niet hinderen connen, maer stouter maken, doch," voegt hij er bij, "salt niet schaden, dat men op middelen bedenckt, of mogelyck d'ouerheyt van Amsterdam sulcks begeert, dat men dan niet ongewapent sy." Het middel volgens hem, "om den secten alderbest te hinderen, is doer den eedt ende d'waken hen op te leggen, want daerdoer wordense in haer opiniën gequetst, ende vlytich toetesien, dat men hare leeraers weere, so vele als men can."

------------

Het dispuut dat VAN DER HEYDEN hier op het oog heeft, had van 27 Febr. tot 5 Juni van het vorig jaar te Emden plaats gehad. Van de zijde der Gereformeerden was het voornamelijk MENSO ALTING die het woord had gevoerd, terwijl wij onder de Doopsgezinde colloquenten ook HANS BOSSCHAERT aantreffen, denzelfde die, gelijk wij zagen, in het begin van dat jaar te Middelburg geweigerd had met VAN DER HEYDEN te disputeeren. Men vergelijke hierover verder: MEINESS, Oost-Vriesl. Kerkgesch. II, bl. 11, vgg.

Verloochent VAN DER HEYDEN hier zijne Calvinistische gevoelens niet, evenmin is dit het geval, waar hij zich uit omtrent datgene wat den christen al of niet geoorloofd is. Wij weten dat de leeraars van die dagen op dat punt gewoonlijk zeer streng waren, en dat vooral het dansen ten strengste door hen werd veroordeeld, zoodat zij, waar zij konden, het zochten tegen te gaan. PHILIPS VAN MARNIX deelde hierin de overtulging van VAN DER HEYDEN niet; in zijnen boven aangehaalden brief aan dien leeraar bespreekt hij, na de zaak der Doopsgezinden te hebben afgehandeld, uitvoerig die van "het dansen" en verzekert dat hij zelf nooit de "choreas ac ludos modestos" heeft kunnen veroordeelen, zoodat hij dan ook, zoo dikwijls de gelegenheid zich daartoe aanbood, door woord en voorbeeld daarvan ie blijken heeft gegeven. 2 Naar wij uit den brief kunnen opmaken, had VAN DER HEYDEN hem hierover geschreven en MARNIX beantwoordt eenigen zijner tegenwerpingen. 3. Het

-----------
1. Bij de feestelijkheden, die bij gelegenheid van het huwelijk des Prinsen met CHARLOTTE DE BOURBON in Juni 1575 te Dordrecht plaats hadden, wordt bizonder vermeld, dat dit "zonder danssen" geschiedde. GROEN VAN PRINSTERER, Archives V, page 226.
2. "Sane non possum videre," schrijft hij, "quid inillischoreis, quibus sineerus animi exhilarati candor, et quaedam hymenaeorum congratulatio declaratur, insit mali, si cum honestis matronis ac rirginibus ad citharae modulos, vel ambulatur, vel in gijrum curritur, saltaturve." Men ziet dat MARNIX niet alle dansen onvoorwaardelijk goedkeurt en over vele dansen van den tegenwoordigen tijd een gestreng oordeel zou uitgesproken hebben.
3. 'Ais tamen, haud probari posse saltationes hujus regionis ab exemplo veterum prorsus dissimiles. Ego vero contra censeo, nostras saltationes veterum saltationibus longe moderatiores gravioresque, propter formam

laat zich hooren dat velen zeer geërgerd waren over deze zienswijze van den grooten Staatsman, doch deze verontwaardigt zich over die "impunitas eorum, qui quod Dominus non vetarit, pro sna auctoritate interdicant" en meent dat hunne "pracpostera gravitas sanctitasque, non longe a Pharisaicis moribus dissidens," veel grooter ergernis geven zal dan alle dansen der wereld. 1 "Tu tamen," aldus eindigt hij, "quaeso statuas, tuam ~rappraia~ longe omnium gratissimam, tum per se, quod a tuo candore ac pietate proficiscatur, tum etiam quod occasionem praebuerit apertius tecum disserendi de hoc negotio. Interim non desinam me quoad potero ita gerere, ut inter utrumque moderate ambulans, nemini offendiculum praebeam." Voor de kennis en van MARNIX en van VAN DER HEYDEN levert deze brief ons dus niet onbelangrijke bijdragen; waar hij aan de eene zijde een merkwaardig getuigenis aflegt van de onbekrompen begrippen van den eerste, wijst hij ons tevens op de vrijmoedigheid en nauwgezetheid in beginselen van den laatste, terwijl hij ons weder gelegenheid geeft een blik te werpen in de hartelijke vriendschap, die deze beide groote mannen verbond. Wij hebben GASPAR VAN DER HEYDEN te Antwerpen

----------

pie ae lioite usurpari Sed ais, meae gravitati saltationes haud convenire," eto.
1. "Imo vere plane eenseo, non modo nullam esse in hac importuna morositate, et revoeata ad humanae opinionis placitum censura, aedificationem, sed incredibile etiam scandalum. Ut enim omittam reliqua, vix dici potest quantopere ipse Princeps offensus fuerit, ubi audivit, non potuisse honestis choreis nuptias sine reprehensione et virgula censoria decorari: cum constet, et LUTHERUM et MELANCHTONEM et infinitos alios viros pios ac bonos haud refugisse saltationem."

achtergelaten, waarheen hij, gelijk wij zagen, op het einde van Juni 1578 door de Synode Generaal was afgevaardigd. Reeds in April van datzelfde jaar was, na een verzoek van de Antwerpsche gemeente aan de classis van Walcheren om een of twee dienaren gedurende eenigen tijd ter leen te mogen ontvangen, VAN DER HEYDEN aangewezen om dien liefdedienst te vervullen, doch daar hij zoo spoedig naar de Synode zou moeten vertrekken, had men een ander in zijne plaats gezonden.' Wij kunnen ons voorstellen, dat de Antwerpsche gemeente hem thans, nu hij in haar midden was, niet zoo spoedig wilde laten gaan, en hij zelf zal ook met vreugde hebben medegewerkt aan den opbonw dier gemeente, die hij onder zoo verschillende omstandigheden, meer dan elf jaren te voren, had moeten verlaten. Hoe was het haar gedurende dien tijd gegaan? Niettegenstaande de strenge maatregelen van ALVA, bleef de gemeente onder 't kruis te Antwerpen, gedurende de jaren van zijn schrikbewind, toch in leven, ofschoon zij natuurlijk een kommervol bestaan leidde, en hare leden niet dan met de grootste

------------

1. J. W. TE WATER, Reform. van Zeeland, bl 403. Vgl. ook een brief van DENIS NIYT, "uijt name van de dienaren, ouderlinghen ende diakenen der ghereformeerde kercke CHRISTI binnen Antwerpen," den 21 Mei 1578, waarschijnlijk aan de Delftsche gemeente gericht, waarin zij weder om eenen predikant verzoeken, daar de broeder hun door de classe van Walcheren "voor eenen tijt van dry weken gheleent" weder moest vertrekken, zoodat zij in grooten nood zaten, te meer daar een hunner eigene predikanten, JOHANNES CUBUS, die door VAN DER HEYDEN uit Engeland voor hen was medegebracht, ook naar de Synode was afgevaardigd, en zij dus bijna niemand overhielden. Werken der Marnix Vereeniging, III, III, (Bescheiden aang. de Kerkherv. in Vlaanderen) bl. 5.

omzichtigheid konden te zamen komen. Van 26 April 1573 is ons een brief bewaard, welken "de ouderlingen ende diakenen der kercke Christi onder 't Cruijs" aan den kerkeraad te Emden zonden, en waarin zij om andere predikanten verzochten, daar de hunnen te zeer bekend waren geworden. Om dezelfde reden veranderden zij ook het zegel, dat zij tot nu toe gebezigd hadden, in een dat uit eene lelie in het midden der doornen bestond, met het opschrift: "Gelijk eene lelie onder de doornen, Cant. 2." 1. Langzamerhand was de gemeente, vooral door het vertrek der meer gegoede leden, zóó verarmd, dat zij in Juli 1576 nogmaals een brief aan Emden moest richten, waarbij zij om ondersteuning vroeg. Deze gemeente collecteerde daarop voor haar de som van 165 gulden. 2. Reeds spoedig na de Pacificatie van Gent kwam er verademing, maar vooral in 1578 trad de gemeente van Antwerpen moedig in het openbaar te voorschijn. Op Zondag 16 Maart werden er vijftien predikatiën gedaan, en in veertien daarvan het Avondmaal bediend, terwijl den 23sten derzelfde maand de tafel des Heeren op drie verschillende plaatsen binnen het kasteel werd aange

---------------

1. Deze brief is te vinden bij MEINERS, Oost-Vriesl. Kerk. Gesch.II, bl. 39. Vgl. ook H. Q. JANSSEN, Kerkherv. in Vlaanderen, I, bl. 63.
2. MEINERS, a. w. II bl. 42. "Voertyts," schrijven zij "wasset ons eene cleyne saecke eenen goeden penninck te vergaderen, en de andere kercken te helpen, maer nu de rijkste meestal vertrocken syn, ende noch daghelycks vertrekken, isset ons niet moghelick sonder hulpe van anderen onse Kercke te onderhouden. Godt gheve, dat de tyt eens mochte veranderen, dat wy mochten andere helpen, gelyck wij voer tyden geerne ende ghewillich ghedaen hebben."

richt.' Ten gevolge van den Religievrede, waren den Calvinisten vier plaatsen toegestaan waar zij hunne godsdienstoefeningen mochten houden, namelijk de Jezuïtenkerk, gewoonlijk het Huis van Aken genoemd, het Suikerhuis, de Firmery en de kapel op het kasteel, die ALVA voor zijn soldaten had doen bouwen, om welke reden de Geformeerden haar den naam van Moabiten-kerk gaven. 2 Doch, daar deze plaatsen ongedekt waren, en de gemeente dus bloot stond aan regen en sneeuw, vroegen de Calvinisten nog drie kerken, die der Minderbroeders, Predikheeren en de St. Andries. Dit verzoek werd den 4den October door den Magistraat ingewilligd, onder voorwaarde dat die kerken door middel van een muur in twee deelen zouden worden gescheiden, en dat het koor den kloosterlingen zou blijven voorbehouden. Den 5den dier maand reeds predikte THOMAS VAN TIL in de Predikheeren-kerk. 3. Nadat VAN DER HEYDEN ongeveer eene maand in Antwerpen had vertoefd, beschreef de kerkeraad van Middelburg hem op 23 Juli, om weer naar zijne eigene gemeente terug te keeren, aan welk verzoek hij den

--------

1. BOR, Nederlandsche Oorlogen, I. bl. 968.
2. In deze Moabiten-kerk werd het huwelijk gesloten tusschen den Prins van ORANJE en LOUISE DE COLIGNY, den 12den April 1583. RAHLENBECK, l'Inquisition et la Réforme en Belgique, page 226.
3 MEBTENS en TORFS, gesch. van Antwerpen. V. bl. 86. Vgl. ook den brief van PETRUS DATHENUS, van 31 aug. 1578, waarin hij schrijft; dat de predikatiën door eene talrijke schare werden bezocht, en dat de vergaderplaatsen, hoewel sommigen zeer ruim, toch veel te klein waren zoodat men hoopte dat weldra de openbare kerken voor de Gereformeerden zouden worden ingeruimd. KIST en ROYAARDS, Archief VIII, bl. 450.

30sten van die maand voldeed. Doch slechts kort bleef hij aldaar, want dewijl de nood zoo groot was in Antwerpen, 1 verzocht hij verlof om weder naar die stad te vertrekken, hetgeen hem werd toegestaan, terwijl de Middelburgsche gemeente er tevens in bewilligde dat hij in Antwerpen blijven zoude, totdat het Heilig Avondmaal gevierd en ouderlingen en diakenen verkozen waren. 2. Spoedig echter geschiedde wat wel te voorzien was geweest; den 18den October 1578 benoemde de Antwerpsche gemeente VAN DER HEYDEN tot vasten leeraar. In die stad werd, bij het steeds wassend aantal Gereformeerde gemeenteleden, het gebrek aan een voldoend getal leeraars steeds duidelijker gevoeld. Op het einde van Augustus waren er nog niet meer dan twee vaste predikanten werkzaam, en naar alle zijden wendde men zich om hulp. 3 Het kan ons dan ook niet verwonderen dat

--------------------

1. Vgl. een brief van JOHANNUS CUBUS onder dagteekening van 29 Juni 1578 aan ARNOLDUS CORNELII te Delft gericht, waarin de schrijver ook op den "grooten noot" de aandacht vestigt, "dewyle wy," gelijk hij zegt "vast beginnen wt te breken, ende soo vele als openbaerlick te predicken, in ghehuerde packhuysen, te seker ghesette tijden tweemael des daeghs, met wonderlieken grooten toeloop van volcke, hetwelke wij niet continueeren en connen, sonder meer predicanten te hebben." Werken der Marnix-Vereeniging, III. III. (Bescheiden aang. de Kerkherv. in Vlaanderen) bl. 7.
2. J.W. TE WATER, Reform. van Zeeland, bl. 404
3. In een brief der Antwerpsche gemeente aan die van Delft, van 22 Aug. 1578 lezen wij o. a.: "..........de dienaren, die hier nu twee alleene syn, hoe connen die selve genoech syn, om soo meenig dusent hongerighe zielen te spysen. Ook der Martinisten hoop wasset alle daghe meer ende meer, soowel van dienaren als van meenichte: soodat te bevreesen is, dat sij sullen indringhen tot grooten albreucke onser

VAN DER HEYDEN ernstig door de Antwerpsche gemeente werd aangezocht om zich voor goed aan haar te verbinden, en evenmin, dat hij zelf zich gedrongen gevoelde aan dat verlangen gehoor te geven. Hij toch gevoelde zich steeds het meest tot deze zijne eerste gemeente aangetrokken, waar hij onder zoo verschillende omstandigheden het Woord had verkondigd, zoo vele gevaren had doorstaan en nu vrij uit van CHRISTUS kon getuigen. Hij beriep zich dan ook op de voorwaarde, die hij bij zijne komst te Middelburg had gesteld, "dat hij naar Antwerpen wilde terugkeeren, zoo de Heer opening aldaar gaf," en ook de Prins VAN ORANJE richtte een schrijven aan den Middelburgschen kerkeraad, om aan het verzoek van Antwerpen klem bij te zetten.1. Het kostte moeite de Middelburgsche gemeente te bewegen hem af te staan en nog in Maart van het volgend jaar was de zaak niet tot eene beslissing gekomen. Verscheidene malen reisde VAN DER HEYDEN tusschen Middelburg

-----------

kercke ende ghemeynte.........." Werken der Marnix-Vereeniging, III, III. (Bescheiden aang. de Kerkherv. in Vlaanderen) bl. 10. ' J. W. TE WATER, Reform. van Zeeland, bl. 404. Toen THOMAS VAN TIL door Delft aan Antwerpen was uitgeleend en deze gemeente hem gaarne wilde behouden, schreef de Prins eveneens twee brieven naar Delft, een aan den kerkeraad en een aan den burgemeester, beiden daartoe strekkende, om het verzoek van Antwerpen te ondersteunen. Deze brieven zijn opgenomen in de Werken der Marnix:-Vereeniging III, III. (Bescheiden aang. de Kerkherv. in Vlaanderen) bl. 11, vgg. VAN TIL was destijds hofprediker van den Prins, en ten zijnen opzichte kan het ons dus minder verwonderen; doch dat het ook ten behoeve van VAN DER HEYDEN geschiedde, toont ons weder hoe hoog deze bij den Prins stond aangeschreven en tevens hoe zeer den Prins het wel zijn der Kerk ter harte ging.

en Antwerpen heen en weder, en verdeelde aldus zijne werkzaamheid in zekeren zin tusschen die beide gemeenten, doch deze toestand kon niet voortduren, want, gelijk hij zelf den 11den Maart 1579 schreef, nadat hij weder drie volle maanden in Antwerpen had doorgebracht: "ick bemerc, wat schade ick hier doe met dit ouer ende weder ouer reijsen," terwijl hij als zijne overtuiging uitspreekt, dat hij toch zal moeten eindigen met te gaan, ofechoon hij tevens vreest, dat de kerk te Middelburg "alsdan seer qualijck versien blijft." "Mij aengaende," aldus eindigt hij, "ick geue mij gansch den Heer ouer ende wil hem dienen, waert hem belieft.'' Eindelijk werd besloten, dat VAN DER HEYDEN voor goed naar Antwerpen zou vertrekken, en den 2den October 1579 predikte hij zijn afecheid te Middelburg. In Juli 1579 had Antwerpen zich bij de Unie van Utrecht aangesloten, "hetwelk," merkt TE WATER aan, "eene geduurzame vrijheid van Godsdienstoefeningen voor de Hervormden aldaar scheen te beloven."2 En inderdaad, de bloei der Gereformeerde gemeente nam dagelijks toe. Dit blijkt

----------------

1. Bijlage B, No. 20. Uit dezen brief blijkt ook, hoe zeer VAN DER HEYDEN zich verheugde in het vooruitzicht van te Antwerpen naast THOMAS VAN TIL te mogen arbeiden. Hij schrijft: "Dominus TILIUS is t' Handwerpen wat sieckelyck, ick dencke van te vele arbeyts te doene, want daer nimmermeer gedaen werck is; de stadt ende gemeynte van Delft hebben een Christelyck werck gedaen, dien van Antwerpen dien man vergonnende. De Heere wille hen laten behouden. Warense al gelyck hy, den bouw souder noch meer voortganck gewinnen, ende ick, dieder toch oock eyndelijck sal moeten gaen, souder te lieuer comen." 2 Reform. van Zeeland, bl. 405.

ook uit het aantal kerken, dat zij langzamerhand in gebruik ontvingen. Na de St. Andries, vroegen en verkregen zij de helft der St Jacobskerk, waarin IJSBRAND BALCK op Nieuwjaarsdag 1581 de eerste prediking hield, en reeds den lsten Juli van dat zelfde jaar werd, bij decreet van den Breeden Raad, de Roomsch-Catholieke eeredienst in geheel Antwerpen verboden. Toen hadden de Gereformeerden, behalve bovengenoemde kerken, nog die der Predikheeren, der Jezuiten, der Begarden en de Cathedraal, de prachtige 0. L. Vrouwe, in bezit. GASPAR VAN DER HEYDEN zal waarschijnlijk meestentijds in de Predikheerenkerk het Woord verkondigd hebben; wij weten ten minste dat hij in het klooster daarnaast, waarvan een gedeelte ook tot gasthuis was ingericht, zijn verblijf hield. 1. In de Synode van 1578 waren de "kerck van Delft en Antwerpen vercoren, om den toecomenden Synodum Nationalem te beroepen;" dit is de reden dat wij den naam van VAN DER HEYDEN vinden onder de brieven,

---------------------

l Vgl. MEERTENS en TORFS, Geschiedenis van Antwerpen, V, bl.116: "Een Calvynsch predikant had toen reeds (in 1581) de kerk en sacristy van dit klooster in bezit, onder de bescherming van een kapitein, die met zijn volk het binnenplein des gestichts, met de daerom liggende kamers en vertrekken betrok." Uit een besluit van den Raad blijkt, dat die "Calvynsche predikant" niemand anders dan GASPAR VAN DER HEYDEN was. "Geordonneert den Amonitiemeesters, dat sy van stonden ane sullen doen vertrecken vuyt de Predicheerencloostere, den busschieter, jegenwoordich hem aldaer, omtrent den huyse vanden minister, Meester JASPAR houdende, mits redenen, ende den selven te logeeren in Sinte Michielscloostere, volgende de designatie hun gedaen." Antwerpsch Archievenblad, VII, bl. 1. De Predikheerenkerk draagt thans den naam van St. Paul des Dominicains.

die daartoe strekken moesten. 1. Zelf is hij echter niet in deze Synode, te Middelburg in 1581 gehouden, tegenwoordig geweest; zijn ambtgenoot IJSBRAND BALCK werd door Antwerpen afgevaardigd. Ook te Antwerpen bleef VAN DER HEYDEN werkzaam voor de algemeene belangen der Kerk. Hij arbeidde er aan den tekst van den Heidelbergschen Catechismus en aan den bundel der Liturgische Schriften bij de Gereformeerden in gebruik. In verband met deze werkzaamheden hebben wij het oog te vestigen op bizonderheden in zijne brieven vermeld, waaruit blijkt dat hij ook aan de samenstelling van die geschriften grooter aandeel gehad heeft dan hem tot hiertoe door de geschiedschrijvers is toegekend. Van het een en het ander moge de beschouwing van een exemplaar der oorspronkelijke uitgave en van een autographon van VAN DER HEYDEN het noodige aan het licht brengen. Twee exemplaren van deze Catechismus-uitgave lig-

---------------

1. Twee dezer oonvocatie-brieven zijn mij onder de aandacht gekomen; een naar Emden, die door E. Meiners in zijne Kerkelijke Geschiedenis van Oost-Vriesland, II. bl. 69, is opgenomen, en een in het archief der Hollandsche gemeente te Londen, die woordelijk met den eerstgenoemde overeenkomt. (Zie bl. 6, in de noot.) In een brief aan COBNELII gedateerd 4 Januari (vermoedelijk 4 Februari) 1581, (Bijlage B, N° 22) bespreekt VAN DER HEYDEN uitvoerig eene verandering die door de Delftsche gemeente gemaakt was in het oorspronkelijk plan, om de Synode op 17 April van dat jaar te doen plaats hebben, nadat reeds alle convocatie-brieven waren rondgezonden. Zij wilde eerst den 29sten Mei beginnen, en blijkens de acten der Synode heeft dit ook werkelijk plaats gehad. Dit verklaart waarom én de gemeente van Emden én die van Londen nog tegen den 17den April worden opgeroepen.

gen vóór mij; het eene, 1. een klein boekje in octavo, draagt tot titel:

CATECHISMUS
OFTE ONDERWYSINGHE INDE CHRISTELYCKE RELIGIE, WELCKE INDEN GHEREFORMEERDEN EUANGELISCHEN KERCKE ENDE SCHOLEN DER NEDERLANDEN GHELEERT ENDE GHEOEFENT WERT
Mitsgaders de Christelijcke Ceremonien ende Ghebeden.
Met neersticheyt ouersien ende ghecorrigeert door
GASPARUM VAN DER HEYDEN
(Vignet.)
t' Hantwerpen,
By NICLAES SOOLMANS op onse Vrouwen Kerchof
inden gulden Leeu, 1580.
Met gratie ende Priuilegie.

Het vignet stelt een staanden, gekroonden leeuw voor, met eene zuil tusschen de voorpooten, waarop deze woorden: "Ingenio superatur." Het andere exemplaar, van het zelfde formaat als het eerste, is gebonden achter de Psalmen van MARNIX. Het is eveneens in 1580 te Antwerpen gedrukt, doch: Bij GIELIS VAN DEN RADE, op 't Vleminxvelt in den gulden Rinck.

Het vignet van den drukker ontbreekt; (dit staat op het titelblad: van de Psalmuitgave) doch in plaats daarvan vinden wij den volgenden tekst:
MARC. 8.
38. Wie hem mijns ende mijnder woorden sal gheschaemt hebben, in dit ouerspelighe ende sondich geslachte: diens sal hem de Sone des menschen oock schamen, als hij comen sal inde heerlijckheyt zijns Vaders, met synen heylighen Enghelen.

---------
1. Dit zeldzaam boekje werd mij welwillend ten gebruike afgestaan door den Hoogleeraar J. I. DOEDES.

Het is duidelijk dat dit een nadruk is van de eerste uitgave; immers wij zien, dat NICOLAAS SOOLMANS en ANDRIES VERSCHOUT, boekdrukkers te Antwerpen en Leiden, van den Koning van Spanje en de Staten van Holland octrooi hebben verkregen voor het drukken en verspreiden van dit boek, zoodat dan ook achter de uitgave van VAN DEN RADE vermeld staat: "met expressen voorgaenden consente van NICOLAAS SOOLMANS ende ANDRIES VERSCHOUT." 1. Uit de voorrede tot dit boekje blijkt ons wat het doel was van VAN DER HEYDEN met deze uitgave. Hij wilde geene andere vertaling geven, maar eenvoudig de drukfouten en onhollandsche woorden die langzamerhand in den Catechismus ingeslopen waren, daaruit trachten te verwijderen. Wanneer wij den tekst van zijne uitgave nagaan, dan zien wij ook dat hij de vertaling van DATHEEN volgt en slechts hier en daar iets verandert. Waar hij van den Datheenschen tekst afwijkt volgt hij gewoonlijk de Latijnsche uitgave van den Catechismus' gelijk hij ons dan ook in zijne voorrede bericht, dat hij het "boecxken na het Latynsche exemplaer gesuyvert heeft." Zoo bv. in het 18de antwoord, dat hij naar den Latijnschen

-------------

1. Deze 'privilegien" staan aan het einde van elk der beide uitgaven vermeld. Dit is wel het eenig voorkomend geval, waarin "De Conincklijcke Mt." octrooi verleent tot het drukken en verspreiden van den Heidelbergschen Catechismus! J. W. TE WATER (Reformatie van Zeeland, bl. 409) vermeldt de uitgave van GILLIS VAN DEN RADE als eersten druk, volgens de boeklijst van LE LONG, en voegt er dan bij dat die uitgave in hetzelfde jaar te Antwerpen werd nagedrukt. Evenzoo GLASIUS, Godgel. Nederl. II, bl. 48. Wij hebben gezien dat het omgekeerde het geval is

tekst uitbreidt, die eene letterlijke aanhaling bevat van 1 Cor. 1: 30, en alzoo schrijft: "Onse Heere JESUS Christus, die ons van Gode tot wijsheit, rechtveerdichmakinghe, heylichmakinghe ende tot een volcomen verlossinge geschonken is," 2. terwijl DATHEEN, de Hoogduitsche uitgave volgende, heeft: "die ons tot een volkomen verlossinge ende gerechticheyt geschoncken is." 1. Hetzelfde merken wij op in Antwoord 21, alwaar de verandering van VAN DER HEYDEN, naar den Latijnschen tekst, geene verbetering mag genoemd worden. Deze varianten zouden nog met dergelijken kunnen vermeerderd worden, doch het is niet noodig die hier te vermelden, daar zij elders reeds nauwkeurig zijn opgeteekend. 3. Wij mogen aan deze, door GASPAR VAN

-------
1. In zijne uitgave van 1566, te Heidelberg, bij MICHAEL CHIRAET. De Latijnsche tekst heeft: "Dominus noster JESUS CHRISTUS, qui factus est nobis Sapientia a Deo, Justitia, Sanctificatio et Redemtio."
2. DATHEEN heeft: "Een oprecht gelooue en is niet alleen...... maer oock een hertelick vertraawen, enz." In de Latijnsche uitgave lezen wij: "certa fiducia," en bij
VAN DER HEYDEN: "een seker vertronwen."
3. In "De Symbolisehe Schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk, in zuiveren kritisch bewerkten tekst haar aangeboden tot wettig gebruik door J. J. VAN TOORENENBERGEN, Utrecht 1869 " Daarheen kan ik dus verwijzen. Het spreekt van zelf dat ik hier niet als varianten beschouw de kleine veranderingen als "dierbaren bloede" voor "dieren bloede" (Antwoord 1); "ten anderen" voor "ten tweeden," enz. Men vergelijke verder voor alles wat op de Geschiedenis van den Heidelbergschen Catechismus betrekking heeft de twee bekende werken van den Hoogleeraar J. I. DOEDES, getiteld: "De Heid. Catech. in zijne eerste levensjaren 1563-1567, Utrecht 1867" en: "Bijdragen tot de kennis van de eerste lotgevallen des Heid. Catech. in het Nederlandsch, Utrecht 1876."

DER HEYDEN bezorgde uitgave van den Heidelbergschen Catechismus, ook al levert zij ons voor de kennis der alleroudste drukken van dat leerboek geene bij dragen, onder de merkwaardige edities uit die dagen eene eervolle plaats toekennen. De Catechismus beslaat van bl. 5-48. Evenals in de vorige uitgaven van DATHEEN, zijn de vragen genommerd en de Zondagen en teksten aan den rand aangeteekend. Doch wij zien terstond dat VAN DER HEYDEN er vele teksten bij heeft gevoegd, gelijk hij dan ook in de voorrede vermeldt.1.
Na den Catechismus volgen de "Christelijcke Ceremonien ende Ghebeden."' Zij zijn de volgenden:
1. "Forme om den heylighen DOOP uyt te richten. 3.
2. Corte Forme der belydinghe des Gheloofs, ghestelt na de orden des Catechismi, voor hen die hen totter

--------

1. ........ "Item de marginale texten ende veerskens te corrigeren, ende op hare plaetse aen te wysen, mitsgaders noch vele van nieus daertoe te voegen, dwelck den neerstighen Leser gheen cleyn behulp sal wesen, om inde hoofdstucken der Christelijcker Religie (die een yegelijck Christen behoort te verstane) bevesticht te worden "
2. In zijne voorrede zegt de schrijver dat hij "de Forme der Christelycke Ceremoniën ende der Ghebeden ouersien, ghecorrigeert ende ghebetert" heeft. Wij zullen zien waarin zijne Kerkordening van die der vorige uitgaven afwijkt.
3. Dit is het formulier dat thans nog gebruikt wordt. Dat van 1566 is veel langer, doch de Synode van 1574 (artikel 66) had bepaald dat men een korter formulier zou bezigen. Slechts in de "dancksegginghe" na den doop, wijkt
VAN DER HEYDEN eenigzins van het nienwe formulier af, dat hier aan het oude was gelijkgebleven, doch deze verandering bepaalt zich slechts tot een paar zinnen in den aanvang van dit gebed.

gemeynten, ende den h. Auontmale JESU CHRISTI begheuen willen.1.
3. Forme om dat Heylighe Auontmael te houden. 2

--------

1. Deze komt nergens elders dan in deze uitgave voor. Wij treffen er veel in aan, dat overeenkomt met "de Korte Ondersoeckinghe des Geloofs," die reeds in de editie van 1566 gevonden wordt, door de Synode van 1578 werd aanbevolen, (artikel 54) en in gebruik bleef tot dat zij door het "Kort Begrip" van FACKELIUS werd verdrongen, doch de indeeling is eenigszins anders en volgt den Catechismus getrouwer op den voet dan die van hare voorgangster. Na de inleiding vinden wij eene "corte verclaringhe der 10 Gheboden," daarna een hoofdstuk "vande Verlossinghe," vervolgens eene "corte verclaringhe over allen Artyckelen des Gheloofs," en eindelijk een hoofdstuk "van de danckbaerheyt" en eene "corte verclaringhe des Ghebedts." De vragen zyn genommerd.
2. Dit is hetzelfde formulier als dat van 1566 en wordt nog heden gebruikt. Toch wijkt
VAN DER HEYDEN ook hier eenigszins van het vroegere af. Op de woorden "op dat wy........ des eewigen levens, gerechticheit end heerlickheit deelachtich werden" laat hij terstond volgen: "Daer toe helpe ons de Almachtighe barmhertighe God, enz." De woorden, die in de vorige uitgaven daartusschen liggen: "Daer beneven......... maer met der daet teghen malcanderen bewysen," plaatst hij eenigzins gewijzigd in de "Dancksegginghe na de Communicatie," waarvan het grootste gedeelte bij hem alleen voorkomt. Terwijl namelijk in de vorige uitgaven terstond na de uitdeeling van brood en wijn de dankzegging volgt met de woorden van Psalm 103 enz., vinden wij bij VAN DER HEYDEN nog eerst eene korte aanwijzing van wat CHRISTUS voor ons heeft volbracht, en hoe wij Hem onze dankbaarheid voor zoo groote weldaden zullen bewijzen, waarbij dan treffend de door den schrijver verplaatste vermaning tot liefde jegens de broeders past. VAN DEB HEYDEN heeft hiermede voldaan aan het verlangen der Synode van 1574, die begeerd had "datmen eene corte Inleidinge maken sal tot de danksegginghe na het Nachtmael des Heeren, waerinne wy vande groote liefde CHRISTI t'onswaert ende de danckbaerheyt, die wy

4. Forme om de Houwelijcken voor de Ghemeynte CHRISTI te bevestighen." 1. Dan volgen de
"Christelijcke Ghebeden, diemen inden vergaderinghen der gheloovighen, inden Scholen, inden huysen der Christenen, ende elders ghebruyckende is:
1. Een Alghemeyne belydinge der sonden ende ghebedt, des Sondaechs voor de Predicatie, ende op vastende biddaghen. 2
2. Een Alghemeyne belydinghe der sonden ende ghebedt voor allen noot der Christenheyt. Des Sondaechs na de Predicatie ende op vast ende biddaghen." 3
3. Een dancksegginghe, ende ander Forme des Ghebets, tsondaechs na de Predicatie. 4

---------
hem schuldich syn, vermaent worden." (artikel 79.) Vreemd, dat geen latere uitgave dit van
VAN DER HEYDEN heeft overgenomen. In de volgende Synoden is er ook niet verder op aangedrongen.
1. Hier wijkt
VAN DER HEYDEN niet van de vorige uitgaven af. De drie formulieren van Doop, Avondmaal en Huwelijk zijn hoofdzakelijk uit de Paltzische kerkordening (1563) overgenomen.
2. Deze komt overeen met de vorige uitgaven. In de Paltzische kerkorde komt dit gebed niet voor. Evenmin in de Latijnsche uitgave van 1563.
3. Dit gebed komt reeds in de Datheensche uitgave van den Catechismus van 1563 voor, doch eenigszins gewijzigd.
VAN DER HEYDEN heeft den tekst van 1566 en later.
4. Dit gebed komt in de eerste uitgaven van 1566 enz., niet voor. Hoogstwaarschijnlijk is dit het gebed, waarvan artikel 42 der Synode van 1574 spreekt, waar zij zegt: "Ende ouermits het algemeyne ghebedt des Sondaeghs na de Predicatie te lank is, dwelck op Vast-ende Biddagen bequamelyck gebruyckt can worden, so is er een ander forme begrepen, tot deze woorden toe: ende ouermits het u behaagt, ete."

4. Een opentlijcke bekentenisse der sonden, ende corter Forme des Ghebets voor de Predicatie,
5. Een corte forme des Ghebets na de Predicatie. 1.
6. Een Ghebedt voor de leere des Catechismi, 2
7. Een Ghebedt na de leere des Catechismi. 3
8. Een Ghebedt, voor die hen tot der Schoolleeringhe, of eenighe studie begheuen. 4
9. Ghebedt voor den eten.
10. Gebedt na den eten. 5
11. Ghebedt voor crancke ende aenghevochten menschen. 6
12. Dat morghen Ghebedt. 7
13. Dat auent Ghebedt. 8

---------------
1. Deze beide gebeden zijn sedert de Datheensche uitgave van 1663 onveranderd gebleven.
2. Gelijk de vorige uitgaven. De Paltzische kerkordening heeft dit gebed niet. Evenmin de Latijnsche uitgave van 1563.
3. Uitgenomen eene kleine verandering in den eersten zin, komt
VAN DER HEYDEN met de uitgave van 1566 en de volgenden overeen. De Paltzische kerkordening heeft een geheel ander gebed.
4. Dit gebed komt nergens elders voor. In de Latijnsche uitgave van 1563 vinden wij eene "precatio priusquam puer ad scholam eat," dat
VAN DER HEYDEN vrij schijnt gevolgd te hebben.
5. Deze beide gebeden vinden wij ook reeds in de Datheensehe uitgave van 1563. Zij zijn in alle edities dezeliden gebleven.
6. Dezen wijken van de vorige uitgaven sedert 1566 niet af. In de Paltzische kerkorde zijn zij geheel anders.
7. Dit gebed komt bij
VAN DER HEYDEN het meest overeen met dat in de Datheensche uitgave van 1563 (dat weder gevolgd is naar de Paltzische kerkorde.) In de editie van 1566 is het zeer verkort, evenals in alle de volgenden.
8. Hier wijkt
VAN DER HEYDEN ook af van alle vorige uitgaven, waar dit gebed veel korter is.

14. Een Christelijck Wacht-ghebedt in Chrijchs-noot, ende andersins te ghebruycken. 1.
15. Sommighe spreucken uyter heyligher Schrift, vermanende den Ouders, hare kinderen Godsalichlijck ende tuchtichlijck op te brenghen.
16. Spreucken uyter h. Schrift, vermanende de kinderen tot ghehoorsaemheyt der Ouderen." 2.

-----------
1. Dit gebed heb ik in geene der uitgaven, die aan die van
VAN DER HEYDEN voorafgaan, gevonden. In de editie van 1691 achter de Psalmen van MARNIX, bij SCHILDERS te Middelburg, kowmt het nog voor, maar tegenwoordig wordt het ook niet meer gebruikt. "Heere Godt, hemelsche Vader," zoo begint het, "die de herder en de bewaerder Israels zijt, die niet en slaept, noch niet en sluymert; wy bekennen, dattet te vergheefs ghewaeckt is, soo ghy de stadt niet selve bewaert." Daarna wordt de hulp Gods afgesmeekt tegenover de vijanden, en Zijn zegen gevraagd op hetgeen voor het behoud des lands gedaan wordt. Het gebed is te ]ang om hier geheel over te nemen.
2. Deze spreuken komen nergens anders voor, getuige de eigen woorden van
VAN DER HEYDEN in zijne voorrede, waar hij zegt: "Ick heb oock sommige plaetsen der h. Schrifturen vander kindertucht, by den voorseyden Catechismo ghevoecht, op dat d'ouders ende alle godsalighe schoolmeesters vermaent wierden, de kinderen van jongs op, de kennisse ende vreese Gods (die tbeginsel aller wysheyt is) in te planten, den Heere te leeren bidden, ende haren ouderen, midtsgaders allen, die ouer hen gestelt zijn, alle eere, liefde ende trouwe te bevvijsen, ende hen harer goeder leere ende castydinghe met behoorlijcker ghehoorsamheyt t'onderwerpen " Voor de volledigheid zij nog vermeld dat GASPAR VAN DER HEYDEN gedurende langen tijd is gehouden voor den vervaardiger van den Zieken-Troost, die achter onze formulieren gevonden wordt. Zoo nog TE WATER, in zijn "Lofvermeldent Levensverhaal," bl. 460. Men leidde dat af uit de letters C. v H., die achter dat geschrift voorkomen en als CASPAR VAN HEYDEN werden verklaard. Doch reeds J. W. TE

Met een "Register, om lichtelijck te vinden de stucken, die in dit Boecxken begrepen zijn," en "een ander Register van den voornaemsten puncten, die in den Catechismo gheleert werden, na orden des A. B. C etc. ende aenghewesen op de vraghen," wordt het boekje besloten.
Habent sua fata libelli: ook deze uitgave van den Catechismus en de Liturgie der Gereformeerde Kerk. In het voorjaar van 1581 werd in de Provinciale Synode van Zuid-Holland ook over de nieuwe Psalmberijming van MARNIX gehandeld. De aanleiding hiertoe was dat BONAVENTURA VULCANIUS, de uitgever van dien Psalmbundel, aan den dichter verlof had gevraagd tot het aanbieden van een exemplaar der pas verschenen eerste uitgave aan de weldra te houden Nationale Synode. 1. MARNIX stond hem dit toe, daar hij wenschte "dat men toch eens eenvoudig wilde beoordeelen, of zijne Psalmen aan de Gemeente nuttigheid zouden aanbrengen, dan niet."2.

-------
WATER herstelt deze onnauwkeurigheid, die tronwens in mannen als ENS en LE LONG voorstanders gevonden had, en bericht ons dat hem "door eene geleerde penne geschreven is, dat onze
VAN DER HEYDEN de schrijver niet zoude zijn geweest, en dat C. v. H. zouden tekennen geven den naam van COBNELIS VAN HILLE, in de historie der Reformatie als een der braafste leeraren der zestiende eeuw wel bekend." Reform. van Zeeland, bl. 408. Men vergelijke verder: J. A. M. MENSINGA, Verhandeling over de Liturgische Schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk, bl. 66.
1. "Quod vis exemplar Psalmorum offerri Synodo, non improbatur." Brief van MARNIX aan VULCANIUS van 21 Nov. 1580. Oeuvras de PH. DE MARNIX, Correspondance et Mélanges, VIII, p. 301.
2. "Ego enim velim semel judicium fieri profuturine Ecclesiae sint, necne." Epist. cit. 21 Nov. 1580. Men vergelijke verder: PHILIPSVAN MARNIX Godsd. en Kerkel. Geschriften, door Dr. J. J VAN TOORENENBERGEN, I. bl. L-LXXXI.

Dit was eenigen "boeckdruckers ende vercoopers" ter ooren gekomen, die aan de Provinciale Synode aangaven, "dat in den Generalen Synodo gehandelt soude worden over de aenneminge der psalmboecken, bij den heere van SINT ALDEGONDE overgeset, begeerende daeromme, dat deze Syn. letten wille wat ter eeren Gods en tot opbouwingo Sijner kereken dienen sal (!), oock acht nemen opte schade die den lantsaten daer vut int generael en hun int particulier toecomen soude." Men ziet dat de oppositie tegen deze voortreffelijke Psalmberijming niet alleen van de zijde der kerkelijken gekomen is. De Synode overwoog de zaak en haar besluit was "dat de psalmboecken DATHENI voir desen tijt int gebruik der kercken noch blijven souden." In de handelingen dier vergadering is ons dit haar besluit bewaard met de gronden, die zij daarvoor meende te hebben. 1. Nadat dezen zijn opgesomd, lezen wij het volgende:

---------
1. Deze gronden zijn de volgende:
"Dat DATHENI psalmboecken noch nyet quaet ende des Heeren ALDEGONDII noch nyet goet geoordeelt zijn, ende indien sy beyde goet zijn, soude collatie tusschen beyde gemaect moeten worden welcke de beste zijn. Tegens 't gene dat in DATHENI psalmboecken nyet behagelick soude mogen zijn, zijn in des Heeren ALDEGONDI psalmboecken veel elisiones ende vreemde oft onbekende woorden, den gemeynen man onverstandich. Dat de verlegginge der psalmen DATHENI te deser tijd als tot sijnen nadeel ende schande geschiet, door eenige affectien gesuspecteerd soude mogen worden. "Soo veel de gemeyne Kerck aengaet, dat het periculoos is te veranderen sonder nootwendige oorsaeck, datter veele lasteren souden, als geschiet is ao LXVI, als oft het tot noch toe quaet ware geweest. "Soo veel die gemeente aengaet, dat deselve in heur memorie seer geturbeert ende bedroeft, ende inde veranderinge der psalmboecken

"Item is bevonden, dat by den psalmboeck ALDEGONDII gedruckt is een (Catechismus op den name GASPARS VAN DER HEYDEN, en wordt geachtet dat bij een particulier persoon, sonder voirg. beraedt der Kercken, nyet en behoirde gedaen te worden. Daeromme is geadviseert dat GASPAR voirs. daer aff van den Syn. Generael sal vermaent worden ende aldaer rekenschap geven. De redenen zijn deze, dat hy zijnen name nyet en behoirt te gebruycken op sulck werck. ltem, dat hij daer bij stelt stelt de woorden "gecorrigeert," dewelck van de substantie des Catechismus soude connen verstaen worden. Item, dat in de Gebeden, Kort Ondersoek ende anders. veranderinge geschiet is. Dat het oock is tegens het besluyt des Syn. Gen. int 4e cap, art. 2 et 3. 1. Ten leste, gemerckt het privilegie daer achter aen gezet, den anderen Catechismus tacite schijnt suspect te maecken."

--------
groote schade lyden soude. Soo veel de druckers ende boeckvercoopers aengaet, dat sy oock groote schade lyden souden, als nyet connende vercoopen de oude psalmboecken ende geen deel hebbende inde nyeuwe, tot dat de privilegie geeyndicht sal zijn, begeert de Syn. Part. dat dese ende andere oorsaecken meer, in Synodo Generali overleeght sullen worden." Dr. J. J. VAN TOORENENBERGEN, PHILIPS VAN MARNIX, Godsd. en Kerkel. Geschriften. Aanhangsel, bl. 218 en 219.
1. Dit "besluyt des Syn. Gen. cap. 4, art. 2 et 3" luidt aldus: ART, 2. "Inden Duytschen ghemeynten salmen den Catechismum ghebruycken, met de Psalmen van PETRO DATHENO ouergheset, ende inde Walsche die met den Françoyschen Psalmen tot noch toe ghedruct is. Het sal oock de Duytsche ghemeynte vry staen het Corte Ondersoeck des Gheloofs, wt den Catechismo tsamen getrocken, ende met den voirseiden Psalmen DATHENI gedruct, te ghebruycken, om te onderwysen, die hen totter Ghemeynte begheuen.
ART. 3. "Nyemant sal eenich Boeck van hemseluen ofte van yemant anders ghemaeckt, in hetwelcke vande Religie gehandelt wort, laten drucken ofte in het ligt brengen. doer hemseluen ofte doer anderen,

De Generale Synode had plaats te Middelburg van 29 Mei tot 21 Juni 1581. Daarin is ook de zaak der nieuwe Psalmberijming ter sprake gekomen. Dat er in haar midden stemmen zijn opgegaan ten gunste van de zooveel voortreffelijker berijming van MARNIX, blijkt uit de merkwaardige omstandigheid dat de Middelburgsche Synode niet als de vroegeren, het gebruik van de Psalmen van DATHEEN met name heeft voorgeschreven. 1. Toch bleef het volk deze laatsten verkiezen, en werden zij nog twee eeuwen gebruikt, hoewel men destijds reeds wist "dat sy niet wel, nochte trouwelyck ouerghesett waren, jae dat veel treffelycke luyden lieten ter predicatie te gaen, so lange als die daer gesonghen werden." 2.
Welk oordeel de Synode over den Catechismus van
VAN DER HEYDEN velde, zou ons niet bekend zijn, indien hij zelf het ons niet in eenen brief, dien hij den 17den Juni 1581 aan Arnoldus CORNELII, den Praeses der Middelburgsche Synode schreef, 3 gemeld had. "Domine Praeses," zoo lezen wij daar, "ick heb verstaen dat in den Synodo, onder andere voervallen saken, oock gehandelt is van de correcture des catechismi mits wat daeraen cleeft, daerdoor ick oock als PILATUS in

--------
eer hetselue vanden Dienaren der Classis ofte vanden Professoren der Theologie onser belydinghe ouersien ende voer goet ghekent sal wesen." Handelingen der Nationale Synode van Dordrecht, in 1578, HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl 152.
1. Artikel 51 bepaalt: "De Psalmen DAVIDS alleen sullen in de kercken ghesongen werden, latende de ghesangen diemen niet vint inde heylighe Schrifture." HOOYER, Oude Kerkordeningen. bL 206.
2. Brief van VULCANIUS, van 24 maart 1582, aan de Provinciale Synode van Zuid-Holland. Dr. J. J. VAN TOORENENBERGEN, a. w. I, bl. LVIII.
3. Bijlage B. N°. 23.

den Credo come, so men segt;.... ende dat men my ouer sulcx soude censureeren. Dit dunct mij eene vremde handelinge wesen, iemanden onverhoort verdoemen, ende over de tonge van sovele personen, die tselue oueral mededragen sullen, te laten loopen. Ende eene cleyne danckbaerheyt van sommighen, die dit laten passeeren ende nochtans na dit werck lange verlangt hebben, ende hen daermede behelpen; ick weet oock hoevele dienaers ende andere persoonen, dat mij hierouer bedanckt hebben. Daer is oock noyt niemant geweest, die mij hiervan dminste woert geroert hebben, dattet anders dan wel soude gedaen syn. Daerom en heb ick niet connen onderlaten, v. 1. als mynen ouden collega ende Christelycken broeder te verwittigen, hoet met deser saken gelegen sy," enz.
Onder hetgeen
VAN DER HEYDEN verder tot zijne verdediging aanvoert, komen hoogst merkwaardige verklaringen voor. Zoo vinden wij vermeld dat de "correcture" van den Catechismus reeds drie jaren te voren aan DATHEEN was opgedragen. Vermoedelijk heeft dit in de Synode van 1578 plaats gehad, doch vreemd is het, dat in de handelingen dier Vergadering, onder de verschillende opdrachten aldaar vermeld, niets daaromtrent te vinden is. DATHEEN had dit werk echter niet kunnen volbrengen, "dewijle hem velerley voergevallen was," en had daarom reeds sedert lang den wensch uitgesproken dat VAN DER HEYDEN het op zich zou nemen, "gelyck ick oock," zoovoegt deze er bij, "tsijner begeerten anno 65 de kerckenordeninghe eerst gestelt hebbe, om met synen Psalmen gedruct te wesen." Niet onbelangrijk voorwaar is deze mededeeling. Immers wordt, gelijk men weet, DATHEEN steeds genoemd, wanneer men naar den vervaardiger onzer Liturgie vraagt. Zoo schrijft o. a. de Hoogleeraar DOEDES: 1. "Ieder weet dat onze Nederlanclsch Hervormde Liturgie, achter onzen hollandschen Heidelb. Catechismus te vinden, het werk is van PETRUS DATHENUS, althans in hare oorspronkelijke gedaante, en dat hij bij hare vervaardiging onder anderen gebruik heeft gemaakt van de Paltzische Kerkorde of Liturgie." 2. Uit de zoo even aangehaalde woorden van VAN DER HEYDEN blijkt nu, dat niet DATHENUS, maar hij zelf de eigenlijke opsteller der Nederlandsch Hervormde Liturgie is geweest. Hij noemt hier 1565 als het jaar waarin hij "de kerckenordeninghe gestelt heeft," terwijl wij weten dat ook juist in 1566 het eerst de Psalmberijming van DATHEEN, te zamen met zijnen Catechismus en de Liturgie, in het licht verscheen. Wellicht heeft VAN DER HEYDEN, na deze te hebten opgesteld, haar aan DATHEEN ter beoordeeling toegezonden, gelijk hij zegt met deze zijne Catechismus-uitgave ook gedaan te hebben. 3 Wij kunnen ons nu tevens voorstellen dat hij, daar hij zelf de steller der Kerkordening

-----------
1. De Heidelb. Cathechismus in zijne eerste Levensjaren, bl. 121.
2. Dit leidt men dan ook natuurlijk af van hetgeen DATHEEN zelf in de voorrede tot zijne Psalmberijming (1066) schrijft: "Opdat oock die Christelicke Leser een volkommen handtboecxken hebben mochte, hebbe ick den Christelicken Catechismus ende den voornaemsten deel der kerckenordeninghe ende der ghebeden, so die bij ons ghebruykt syn, tot den Psalmen laeten drucken, alles tot beteringhe der kercken CHRISTI."
3. "Als ick hem" (namelijk aan DATHEEN) "nu dese correcture toeghesonden hebbe, so heeftse hem seere wel behaecht, sulcx dat hy my daerouer seer bedanckt heeft, luyt syner brieven, deshalven aen my geschreven." a. br.

van 1566 was, met meer vrijmoedigheid daarin eenige wijzigingen kon brengen, dan indien zij het werk van DATHEEN geweest ware, en mogen ons gelukkig achten dat wij aan VAN DER HEYDEN thans de eere mogen teruggeven, die hij zoo lang aan een ander heeft moeten afstaan. In het vervolg van zijn brief vermeldt VAN DER HEYDEN hoe hij tot dit plan van eene nienwe uitgave gekomen was, namelijk op aandrang van den boekdrukker NICOLAES SOOLMANS en vele andere "verstandige mannen ende broeders," terwijl hij er tevens met twee der Antwerpsche predikanten, BASTINGIUS en FRAXINUS, over had beraadslaagd, die hem vermaand hadden met dit werk voort te gaan. Slechts aan de "periculen des crychs" was het te wijten dat de zaak niet bij de Classis was aangediend, daar deze om die reden zoo hoogst zelden vergaderde. Wat de "correcture selve" betreft, "daer is," zoo schrijft hij, "inden Catechismo niet een woort verandert, dan quaestio 18 heb ick de woorden 1 Cor. 1 wten Latijnschen exemplare gestelt, ende quaestio 57 heb ick voer heyligen, heerlyckengestelt, ende dergelycke schendige fouten der Hollandschen drucken verbetert. 1. De texten in margine heb ick na den Latijnschen exemplare ende des DATHENI correcture ouer 14 jaer 2. gestelt, met eenigen van nieus

------
1. Over quaestio 18 sprak ik reeds met een enkel woord. Wat de verandering in het antwoord op de 57ste vraag betreft, deze is zeer juist en eveneens naar den Latijnschen tekst gesteld, waar wij lezen: "glorioso corpori CHRISTI." DAThEEN heeft in zijne uitgaven den Hoogduitschen tekst gevolgd en leest: "den heyligen lyf CHRISTI gelyckformich."
3. In dezen zelfden brief lezen wij: "maer als by my gecomen is

daertoe voegende, in welcke, so daer eenige qualyck ten propooste waren, men moeste my wysen, of se van my of van D. DATHENO syn, want ick lieuer anderen dan myselven betrouwe." Ten slotte antwoordt hij op de aanmerking der Synode, "dat hy syn name nyet en behoirde te gebruycken op sulck werck," en zegt: "Dat mynen name so dicke daerin staet, is mij niet lief; ick hebben eens moeten daerby stellen, mids hier geen boecken sonder naem moghen ghedruct werden, ende oock, dat ick my niet schame te verantworden wat ick gedaen hebbe, so daer iemanden, wie hy oock sy, belust ware sulcx te wederspreken." Men ziet uit den geheelen brief dat het hem smart gedaan heeft op zoodanige wijze behandeld te worden, en vooral het slot is aandoenlijk, waar hij zegt: "Dus biddick v. 1., geliefde D. Praeses, dat het v. 1. believe daarin te versiene, datter niets ouer mij besloten werde in myne absentie, want ick soude sulx om myne eere te behouden, die ick nu 26 jaer in Gods gemeynte gehadt hebbe, begeeren te verandwerden, begeere daerom hierop van v. 1. eenige andworde voor het scheyden des Synodi." 1.

----------
eenen NICOLAES SOOLMANS, boeckdrucker, welcke ouer 14 jaren de texten des Catechismi doer D. DATHENUM oock heeft laten corrigeren, enz......." Bedoelt
VAN DER HEYDEN hier 1566 of 1567, m. a. w. telt hIJ van den datum zijner Catechismus-uitgave, of van die, waarop hij schrijft, af7 DATHEEN was destijds in ons vaderland en onder zijn opzicht heeft dus wellicht deze SOOLMANS eene dier uitgaven van den Catechismus bezorgd, van de jaren 1566 of 1567, waarvan ons noch de naam van den drukker noch de plaats waar zij het licht zagen vermeld worden.
l. Niet geheel zonder ironie voegt hij bij wijze van post-scriptum hierbij: "Ick can v. 1. oock niet bergen, dat D. DATHENUS mij schryft.

Het is waarschijnlijk dat de Synode behoorlijk acht heeft geslagen op hetgeen VAN DER HEYDEN tot zijne verdediging heeft aangevoerd. Eene stellige vermaning tegen de zeloten, die zoo haastig waren in het oordeelen van een Vader der Kerk, zou in allen gevalle niet te onpas geweest zijn. 1.
--------
syne Psalmen weder gecorrigeert te hebben om te laten drucken, indien de Synode goet vindt dat men syne Psalmen noch gebruycken sal, opdat indien de broederen niet raedsaem vonden sulx te laten wtgane, dat hy lieuer in tyts gewaerschout, dan achterna gecensureerd werde."
2. Of de Catechismus van
VAN DER HEYDEN, die bij N. SOOLMANS gedrukt is, vele koopers gevonden heeft, kunnen wij niet nagaan, maar wel weten wij dat de tweede druk bij GILLES VAN DEN RADE, na het besluit der Synode omtrent de Psalmen van MARNIX, weinig voordeel aan den uitgever heeft kunnen aanbrengen. Immers CASPAR COOLHAES, waar hij in een schotschrift tegen MARNIX zich niet ontziet tebeweren dat deze zijn werk tegen de geestdrijvers geschreven had, "op dat de oversettinghe ofte correctie des Bijbels, die hij voorghenomen had te doen, te meerder gheloofs soude hebben, ende oock te meer ghetogen werden," voegt er aan toe, dat hij zich dan "daerin zowel bedroghen soude vinden kunnen, als hem bedroghen gevonden had GILLIS VAN DEN RADE, drucker, in de oversettinghe van de Psalmen DAVIDS, bij ALDEGONDE ghedaen. Want hoewel hij meende, dat deselve terstond inder Kercke aenghenomen souden sijn gheweest, ende de oversettinghe DATHENI verworpen, ende dat hy alsoo groot profyt daeraen ghedaen soude hebben, soo en is 't selve tot noch toe niet ghevolgt, sulx dat hy ende syne medestanders, de oncosten die ghedaen sijn gheweest om te vercryghen Octroy van ses jaren, ende het pampier ende drucloon dat aen deselve gedructe ALDEGONDI Psalmboecken wert te coste gheleyt, als noch niet en hebben connen wedercryghen uyt de vercoopinghe van deselve Psalmboecken, deurdien sy soo weynich syn ghetoghen gheweest, alhoewel het elreeds 15 oft 16 jaren geleden was, datse uytghegaen zijn." Vgl. Dr. J. J. VAN TOORENENBERGEN, PHILIPS VAN MARNIX, Godsd. en Kerkel Geschriften, II. bl. XV.

Het zal niet ongeschikt zijn te dezer plaatse nog van een ander geschrift van GASPAR VAN DER HEYDEN te spreken, dat te Antwerpen in 1582 het licht zag, en ten doel had de dwalingen der Anabaptisten, voornamelijk in het stuk van den Doop, te bestrijden. Reeds verscheidene jaren te voren had hij begonnen tegen de aanhangers dezer gezindte, met welke wij hem reeds herhaaldelijk in conflict zagen komen, de pen op te nemen. Den 8sten Juli 1575 schreef hij aan CORNELII: "Ego fere absolvi scripta mea de Baptismo et Incarnatione, quae placuerunt fratribus classis. Futurum est ut breve veniam Dordracum ad typographum." 1. Wanneer een Gereformeerd leeraar in die dagen over den Doop en de Menschwording van CHRISTUS schreef, gaf hij van zelf daarmede te kennen dat zijn geschrift tegen de Wederdoopers gericht zou zijn. In een brief van 23 Maart 1576 lezen wij dan ook: "Libellus meus de Foedere, contra Anabaptistas, paratus est, sed cum Dominus TILIUS absit, nemine scio, qui eum vellet corrigere." 2. CORNELII antwoordde hem, dat hij zijn boekje toch maar aan VAN TIL moest zenden, die zich destijds te Dordrecht bevond, 3 daar deze het aldaar wel zou kunnen nazien. Deze raad werd

----------
1. Bijlage B. No. 11.
2. Bijlage B. No. 13.
3. THOMAS VAN TIL was destijds predikant te Delft, maar voor een tijd aan Dordrecht uitgeleend. "Dominum TILICM Dordracum missum esse intelleximus; cum autem nos unum ex vostris ministris petivimus, saltem ad tempus, id a vobis optinere minime poteramus; doleo propter lites Ecclesiae Dordracenae." Bijlage B. N°. 13.

door VAN DER HEYDEN opgevolgd, en onder dagteekening van 26 April (1576) is ons een brief van hem bewaard, aan VAN TIL gericht en bestemd het geschrift te begeleiden. 1. Wij hooren daar waarom hij "so vele dings" in zijn boekje gebracht heeft die, bij den eersten oogopslag, "so gansch geheel totten doop niet behooren," terwijl de schrijver verder eenige wenken geeft aangaande de wijze waarop hij het gedrukt wenscht te zien. Aan het slot verhaalt hij "een cleyn tractaetken" geschreven te hebben "van den grondt ende verschil tusschen den Mennoniten ende ousten leeraers, van de Godheyt ende de menschwerdinghe JESU CHRISTI." Hij had het oordeel der classe daarover gevraagd, die het "seer bequaem achtten om te drucken, om den lieden inde handt te steken." "Ick meyndet v. 1. mede te senden," aldus gaat bij voort, "maer daer was noch wat aen te schrijven; ick salt senden, so haest als ick andworde hebbe van v. 1. of daer hope ende middel is om te drucken." 2.

----------
1. Bijlage B. N°. 14. "Voerder geliefde broeder, ick sende v.1. hier myn boecksken van den Doope. Ick worde dagelycks gevraegt of het noch niet gedruct is, ende waerom het niet geschiedt. ARNOLDUS schreef lest, dat v.1. tselve nu te Dort wel sal connen bequamelyck corrigeren, maer ick ben onseker of het JAN CANIN sal willen of doruen aenleggen; ghy moogtet hem vragen. Is hyt niet gesint, liever dan het van v. 1. ongecorrigeert soude blyven, sendet my liever wederom."
2. Twee jaren later, in de Synode van 1578, werd het uitdeelen van tractaatjes ook als een der beste middelen beschouwd om de dwalingen der Anabaptisten te bestrijden, en het schrijven daarvan aanbevolen. Men vergelijke de Handelingen dier Synode, Particuliere Vraag N°. 25: "Welcke de gevoechlyckste middelen zijn, om den aenwas der Herdoopers in tyts te stuyten?"
Antwoord: "Vooreerst moeten de Ministers het Fundament des Ghe

Die "hope ende middel om te drucken" schijnen in den eersten tijd, wat betreft het boekje van VAN DER HEYDEN, niet bestaan te hebben. Immers wij lezen in zijnen brief aan CORNELII van 14 Juli 1576: "Ex Domino TAFFINO intellexi, libellum meum contra Anabaptistas apud te esse, neque sub praelo fuisse. Velim igitur mihi quam primum remittas, per fidum nuntium. Deinde tuum judicium scire cuperem. Domino TAFFINO videtur libellus nimium esse prolixus; meum tamen consilium foit scribere, non modo de Baptismo, verum etiam de multis allis erroribus Anabaptistarum, puta de peccato originali, de Foedere, Ecclesiaque Veteris et Novi Testamenti, de Sacramentis et hujusmodi, quos errores, nisi tollantur, frustra (meo quidem judicio) disputamus an infantes sint baptizandi. Interim tamen audire et sequi doctorum virorum sententiam non recuso." 1. Wellicht heeft VAN DER HEYDEN zijn boekje, na het oordeel dezer "docti viri" gehoord te hebben, een weinig verkort; in het exemplaar dat voor ons ligt wordt ten minste veel van wat hij hier opnoemde niet besproken, maar bijna uitsluitend over den Doop gehandeld. Eene andere uitgave dan die van 1582 te Antwerpen is niet bekend; uit de voorrede zou men afleiden dat het boekje niet vroeger gedrukt is geweest. Waarom de schrijver zoo lang met de uitgave er van gewacht heeft, kunnen

-----------
loofs, midsgaders de Artyckelen, ouer welcke wy metten Herdoopers in verschil zijn, neerstelick ende claer haer Ghemeynte wtlegghen......... Voorder sal het noodich wesen, datmen verscheyden corte ende claere Tractaetkens vande Hooftstucken der Herdoopersche dwalinghe schrijve ende in druck wtgeve....." HOOYER, Oude Kerkordeningen, bl. 162.
1. Bijlage B. N°. 15.

wij niet gissen; misschien is het hem afgeraden nadat, gelijk wij zagen, Prins WILLEM in 1577 te kennen gegeven had, dat hij ongaarne geschriften, tegen de Doopsgezinden gericht, in het licht zag verschijnen. Hoe het zij, in 1582 kwam het boekje, in octavo gedrukt, te Antwerpen uit, en het is deze uilgave, die wij thans wat nader willen bezien. 1. De titel is:

CORT ENDE CLAER BEWYS
van den
HEYLIGEN DOOP
WAT HY EYGHENTLYCK SY ENDE WIEN HY TOECOMT.
Ook van Schriften ende redenen, bewysende dat in d'eerste kercke de volwassene op haer belydinge gedoopt zijn, welke de Wederdoopers misbruycken, om de kinderen den Doop te weeren.
Midtsgaders eene corte wederlegginghe eenes boecxkens, ghedruckt anno 1581. Gheintituleert, Een gantsch claere grondighe bewysinghe, etc. Daer in d'Autheur arbeydt, te bewysen dat de kinderdoop van Menschen ingheset sy.
Door
GASPARUM VAN DER HEYDEN
(Vignet)
T'Antwerpen,
By JASPAR TROYEN, op de Catte Veste inden Tennen 2 Pot. 1582.

Het vignet stelt een vaas of pot voor, met eene bran-

-------
Ook TE WATER (Reformatie van Zeeland, bl. 408) vermeldt deze Antwerpsche uitgave van 1582, doch voegt er bij dat hij het boekje nooit heeft kunnen machtig worden en het slechts kent uit den catalogus van LE LONG. Het exemplaar, dat mij ten dienste stond, bevindt zich in de Universiteits-Bibliotheek te Amsterdam, en is afkomstig van de Biblioth. der Remonstr. Kerk aldaar. Het is het enig exemplaar dat ik heb kunnen vinden.
2. "Tinnen. " 12

dende stad op een berg aan de linker- en het Trojaansche paard aan de rechterzijde, terwijl de achtergrond wordt gevormd door eene opgaande zon en een zee met schepen.
Daaromheen staat:

Troia sterk brack duer verraet
Als een pot om haer misdaet.

Op de keerzijde van het titelblad staan de volgende twee teksten:

GEN. 17, Vers 7.
Ick wil (spreekt Godt) myn verbondt maken tusschen my ende dy, ende dynen zade na dy, dat het een eeuwich verbondt sy: Alsoo dat ick dyn Godt sy, ende dynes zades na dy.

en:

COLOSS 2. Vers 11, 12.

Ghy sijt door CHRISTUM besneden, metter besnydinghe, die sonder handen gheschiedt, inde wttreckinghe des Lichaems der sonden des Vleeschs, door de Besnydinghe CHRISTI, Ende sijt met hem begrauen, door den Doop.

In de voorrede hooren wij VAN DER HEYDEN nog van zijn eerste verblijf in Antwerpen gewagen, waar hij herinnert hoe de Heer "van ontrent ouer 30 jaren in deser Stadt" hem "totten dienst Synes H. Euangelii beroepen" en door zijne "geringe gauen Hem eene Gemeynte versamelt heeft, die ick," aldus gaat hij voort, "met vele tranen, arbeyts, perijckels ende sorghen, dry Jaren lanc, dach ende nacht opgevoestert hebbe, totdat ick eyndelijck ghelyc van der doot verlost wert, ende met verlies myner goederen de selue moeste verlaten, maer hoeveel aenstoots die daerentusschen gheleden heeft, ter eender syden door de vervolghinge, ter ander syden door menigherley secten ende ketteryen, soo heeftse nochtans de Heere doorgaens beschermt ende ghehanthaeft, datse onverwinnelyck ghebleuen is, totdat het hem belieft heeft synen Sone JESUM CHRISTUM openbaerlyck tot eenen Coninck te doen wtcondigen, Satans ryck in velen deelen verstoort hebbende. Hem sy danck, dat hy ons desen aengenamen tijdt laet beleuen, ende toelaet de selue Christelijke leere (die ick ende andere trouwe dienaers na my int secreet gheleert hebben) nv vry ende onverhindert int openbaer voor allen menschen te vercondighen, hem biddende dat hy sodanen wasdom daertoe verleene, als hem behaghen sal." "D'oorsaecke," aldus begint VAN DER HEYDEN Zijn "Cort ende claer bewijs," "dat vele eenvoudighe menschen (van de ghene, diemen Wederdoopers noemt) verleyt werden, is mynes achtens, omdat men nemmermeer oft selden spreeckt vande nature, officie ende eynde des Doops, waertoe hem Godt inghestelt heeft, maer datmen terstont plompelyck, oft oock listelijc valt, op de persoonen die den Doop toecoemt ofte die hem ontfanghen sullen, ende inder eerster kercken ten tyden CHRISTI ende der Apostelen ontfanghen hebben.
1. "Om hier in dan goede orden te houden, moetmen beghinnen van het verbondt, dwelck Godt met ABRAHAM ende synen zade ende alsoo met allen gheloouighen ende haren kinderen ghemaect heeft, dwelc hij doen door de Besnydinghe, ende nu door den H. Doop versegelt heeft.
"Daerom sy oock eenderley bediedinghe hebben; soo dat oock d'een Ceremonie in des anderen plaetse ghecomen sy.
2. "Ende hoewel Godt int Nieuwe Testament den Doop door JOANNEM instelde, dat nochtans den Doop JOANNIS ende der Apostelen, maer één Doop is, oock eenderley leere ende bediedinghe hebbende. Alleen dat JOANNES den toecomenden CHRISTUM, ende d'Apostelen den teghenwoordighen predickten.
3. "Daerbeneuen moetmen weten een beschrijuinghe wat de Doop eyghentlyck sy, ende tot wat eynde hy inghestelt is.
4 "Boven dien, dat hy niet alleen den volwassen gheloouighen, maer oock haren kinderen toecome, soowel als de Besnydinghe den vol-jarighen ABRAHAM ende synen zade toequam. Deze dinghen wel, ende inde vreese Godes ouerlegghende, sullen wy gheen cleyn behulp vinden om wt desen strijdt te gheraken.
"Daernae sullen wy handelen van den schriften ende redenen, daer door men bewijst den Doop der volwassenen, welcke van den Wederdoopers misbruyckt werden om der Christen-kinderen den Doop te weeren." Dit is de "sommierlycke inhoudt deses boecxkens," gelijk aan den rand aangeteekend staat. 1. Het ligt niet in mijn bestek een uittreksel te geven van
VAN DER HEYDEN'S geschrift; dit zou te veel wezen en ook, naar het mij voorkomt, niet der moeite waardig zijn. De stof toch, die daarin behandeld wordt, is welbekend en de argumenten die hij aanvoert om de stellingen zijner tegenstanders te bestrijden, zijn natuurlijk meerendeels dezelfden, die in andere boeken van dien tijd, met hetzelfde doel geschreven, telkens terugkeeren.
Op het ,,Cort ende Claer bewijs van den H. Doop,"

---------
1. Aan den rand van iedere bladzijde staat de inhoud van wat opdie bladzijde verhandeld wordt in het kort aangegeven, benevens de teksten die de schrijver tot staving zijner beweringen aanvoert.

dat tot bl. 100 loopt, volgt, in 27 bladzijden vervat: ,,Een corte wederlegginge eenes boexkens, nu anno 1581, nieuwelijck wtghegaen van eenen onbekenden Wederdooper: Die gheerne bewysen soude, dat de Kinderdoop van menschen ingheset sy." ,,Hoewel dit boexken," zegt de schrijver, "gheener antwoorde weert is, eensdeels omdat den Autheur inden grondt niets bybrenght, dat MENNO der Wederdooperen Leeraar (des welcken redenen nv schoon beantwoordt zijn) niet voortghebracht en heeft, anderdeels, omdat hy sich zijns naems ender der plaetse zynder wooninghe (dwelck hij toch nu sonder perijckel doen mach) schaemt, soodat men eenen niemandt antwoorden ende straffen moet. Nochtans dewyle de Wederdoopers dit ghestuckte dinck den simpelen als een Costelijcke-Cleynoot aenprysen, welcke siende eenen grooten hoop schriften ende ghetuychenissen confuselyc bij eengeraspelt, meynen dattet wat besunders sy, daert toch byden lichte gesien zijnde, noch grondt der waerheyt heeft, noch yet dat bondich is te bewysen, sulcx als hy voor gheeft. Daerom sal ick de Somma van elck Capittel den Leser aenteeckenen, ende de nieticheyt ende bedriegerye deses onbekenden Wederdoopers ontdecken." De antwoorden, die VAN DER HEYDEN hier op de argumenten van zijn tegenstander geeft, zijn dikwijls niet geheel vrij van scherpte en heftigheid, iets dat wij in het "Cort ende claer bewijs van den Doop" bijna geheel missen, hetgeen voor dien tijd waarlijk wel als iets bizonders vermeld mag worden, daar maar al te dikwijls de auteurs der strijdschriften van die dagen hunne tegenstanders minder door kracht van argumenten, dan door een vloed verwijten en beschimpingen zochten "neder te leggen."

TORREMOLINOS 18 FEBRUARI 2004

NEDERLAND - VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA 1 - 0

THE NETHERLANDS - USA (1-0)

INSTITUTO CERVANTES BENELUX is legally registered at the Benelux Trade Registrar under deposit numbers 0508277 and 843323 in class 41: education, trainings and courses and is a tradename of the Foundation Cervantes Benelux in Nijmegen, registered under number 41211928 of the Chamber of Commerce of Amsterdam (IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto Cervantes Limited is registered for England and Wales under Company No. 3300636 at Companies House, Cardiff.

INSTITUTO CERVANTES BENELUX está legalmente depositado como marca comercial en el registro de marcas del Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom bajo los números de depósito 0508277 y 843323 en clase 41: educación, enseñanza y cursos y es un nombre comercial de la Fundación Stichting Cervantes Benelux en Nimega, inscrito bajo número 41211928 de la Cámara de Comercios en Amsterdam (IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto Cervantes Limited is registered for England and Wales under Company No. 3300636 at Companies House Cardiff.

INSTITUTO CERVANTES BENELUX is als handelsmerk wettig gedeponeerd bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom onder depotnummers 0508277 en 843323 in klasse 41: onderwijs, opleidingen en cursussen en is een handelsnaam van de Stichting Cervantes Benelux te Nijmegen, ingeschreven onder nummer 41211928 van de Kamer van Koophandel te Amsterdam (IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto Cervantes Limited is registered for England and Wales under Company No. 3300636 at Companies House, Cardiff.

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN